|
1 Samuel 16 Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2003, nr 4. |
Het verhaal over de zalving van David vertoont een aantal opvallende tegenstellingen met het verhaal over de zalving van Saul. Terwijl Saul op zoek naar zijn vaders ezelinnen naar de ziener toe komt, moet Samuel ditmaal zelf op pad. De jongen om wie het gaat is niet een enig kind dat overal bovenuit steekt; hij is een nummer acht die schuilgaat achter zijn oudere broers. Zijn vader is niet, zoals de vader van Saul, bezorgd waar hij toch blijft; hij heeft er niet eens aan gedacht hem naar huis te laten komen. David is niet op zoek naar kwijtgeraakte ezels; hij houdt de wacht bij de schapen. Daardoor loopt hij niet Samuel tegen het lijf, maar lopen beide elkaar vooralsnog mis.
Een sleutelzin in het verhaal die spreekwoordelijke kracht heeft gekregen, is: ‘de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Eeuwige ziet het hart aan’ (vers 7). Samuel is op zoek naar een gestalte die dezelfde koninklijke indruk maakt als Saul. Het feit dat alles in het verhaal anders loopt dan destijds bij Saul, bereidt ons erop voor dat voor het koningschap andere criteria zullen gelden, die ook Samuel zich nog moet eigen maken. Niet de majestueuze uitstraling, maar het hart is doorslaggevend. Let wel: dat is niet het hart uit onze westerse poëzie en vrome beeldspraak, maar het hebreeuwse hart, het centrum vanwaar de daden uitgaan. David wordt niet beoordeeld op zijn uiterlijk (ook al mag dat er volgens vers 18 best wezen), ook niet op zijn goede bedoelingen, maar op zijn daadwerkelijke inzet.
Van die inzet krijgen we een eerste proeve in het bijzondere verhaal dat direct volgt. Als David wapendrager en hofmuzikant wordt bij Saul, weten wij als lezers al van Davids zalving, maar Saul weet nog van niets. Dat geeft een bijzondere spanning aan het tafereel. De nieuwgezalfde houdt de toekomstloze vorst bemoedigend gezelschap. Voor de Eeuwige mag Saul een gepasseerd station zijn, Samuel en David tonen zich Godsmannen doordat de één om hem treurt (vers 1) en de ander hem in koninklijke bescheidenheid dient. Zo hebben die twee iets van Gods hand, die eigenlijk niet kan loslaten wat Hij ooit begonnen is.
De verwerping van Saul blijft een moeilijk vraagstuk. Nu laat het gebruik van de term ‘verworpen’ in het geval van Eliab in vers 7 zien, dat het woord niet altijd een actieve daad van verwerping veronderstelt. Het gaat bij Eliab, maar misschien ook in het geval van Saul, eerder om passeren, voorbijgaan. God heeft Saul uit zijn hoofd gezet, en vraagt van Samuel om hetzelfde te doen, omdat Hij met Israël verder wil.
Hoewel - er is ook nog de ‘boze geest van God’ die Saul bespookt sinds de goede geest van de Eeuwige van hem is geweken. Als Saul door de Eeuwige wordt gepasseerd omdat zijn daadwerkelijk koningschap, in tegenstelling tot zijn gestalte, onder Gods koninklijke maat blijkt, krijgt hij het benauwd, als het ware in het vacuüm waar God voorbijgetrokken is. Er wordt niet gezegd dat God daar verder buiten staat. Integendeel, het spook in Saul wordt tot God zelf herleid. Misschien ook dat daarom Gods nieuwgezalfde er verantwoordelijkheid voor neemt. Ik stel me dan ook voor dat David voor Saul niet zomaar muziek maakt uit het schap ‘rustgevend/meditatief’. Er ontstaat in die troonzaal al een proeve van Israëls dienstboek: ervaringen van verscheurdheid, tussen Gods trouw en Godverlatenheid, tussen schuldbesef en besef van eigenwaarde, zoals we die kennen uit het psalter, worden hier getoonzet.
Iets heel anders: het valt me op dat in 1 Samuel 16 tot tweemaal toe voedsel wordt getransporteerd als voorwendsel of dekmantel voor een reis. Dat gebeurt vaker in dit bijbelboek. Als Samuel naar Bethlehem gaat heeft hij een koe aan het lijntje, zodat hij een offermaaltijd kan organiseren om Isaï en zijn zonen rond de tafel te krijgen. En als David voor Saul moet gaan musiceren, stuurt zijn vader hem niet met zijn instrument op weg, maar neemt hij ‘een ezel, brood, een zak wijn en een geitenbokje, en liet het door zijn zoon David aan Saul brengen’ (vers 20). Dat David aan het hof komt schijnt zo een neveneffect van het brengen van een geschenk. Op dezelfde manier worden ook in onze wereld zaken als het ware terloops gedaan tijdens lunches en diners. Als zakenlieden of politici ‘samen een hapje gaan eten’ zijn leesbril en vulpen de belangrijkste attributen, vergelijkbaar met de oliehoorn die Samuel in zijn binnenzak had. Ook in de kerk is het binnenbrengen van brood en wijn en het genieten van de tafelgemeenschap de inkleding bij uitstek van beslissende momenten en belangrijke besluiten. De abstracte materie op de agenda wordt ‘down to earth’ gehouden en in onze schepselmatigheid vervlochten doordat we al etende samen deelhebben aan de concrete materie op het bord.
Wie een verband wil leggen tussen 1 Samuel 16 en Marcus 10, zal dat op speelse wijze moeten doen, zonder te pretenderen dat zo’n verband in de teksten zelf besloten ligt. Nu ze samen gelezen worden, is het misschien de moeite waard om het tafereel met de blinde Bartimeüs te lezen in het licht van de spreuk: ‘de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Eeuwige ziet het hart aan’ (vers 7).
De voorsprong van de blinde valt samen met zijn handicap: hij ziet niet aan wat voor ogen is. Hij kan niet anders dan het hart aanzien: hij kan Jezus uitsluitend beoordelen op diens inzet zoals die in zijn daden tot uitdrukking komt. De zoon van David die hij aanroept, mag evenals David zelf schuilgaan achter allerlei machtige en imposante broeders, hij mag het aanzien nauwelijks waard zijn - de blinde merkt dat niet op. Hij kijkt, al is het tegen wil en dank, met de ogen van de Eeuwige. Wat hij opmerkt, is Jezus’ hart, diens inzet en betrokkenheid: dat hij geroepen wordt, op zijn diepste verlangen aangesproken wordt, dat hem de ogen geopend worden.
Piet van Veldhuizen