2 Samuel 7:17-29 en Lucas 2:15-20

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2004, nr 1.

Terug naar het overzicht


Je moet het maar aandurven, om op Kerstmorgen en op de Zondag van de Onnozele Kinderen de doorgaande lezing over koning David voort te zetten. Verbanden tussen de David-lezingen en de thematiek van het Kerstfeest liggen weliswaar voor het oprapen, maar wie ze wil uitwerken, zal er gemakkelijk in verstrikt raken. Want eenvoudig liggen die verbanden allerminst. Hieronder volgen enkele mogelijke invalshoeken.


Van Betlehems velden naar Jeruzalem. David heeft in 2 Samuel 7 het lange traject voltooid, dat begon toen hij bij de schapen vandaan werd geroepen om als kleinste onder zijn broers tot koning gezalfd te worden. Hij heeft gezag en bezit, macht en luister verworven, hij resideert onafhankelijk van alle gevestigde stamrechten in een eigen stad. Maar als hij dat traject met een tempel wil bekronen, wordt hij tot de orde geroepen. De Eeuwige voegt zich niet in Davids carrière. De toon van Davids gebed geeft aan, dat hij de terechtwijzing begrijpt. Hij zoekt al biddend zijn plek, als dankbaar dienaar van een God die ten opzichte van hem volstrekt vrij is. En zie, in Lukas 2 beginnen we weer aan het begin, in de velden van Betlehem. De Vredevorst aanvaardt niet op grond van dynastieke rechten een kant en klaar koningschap, maar zal de hele weg gaan die nodig is om koning in Gods naam te wórden. Op de zondag der Onnozele Kinderen wordt dat door Mattheus nog radicaler verwoord, als hij Jezus naar Egypte brengt om vandaaruit heel de weg van Gods volk te gaan, van het begin af. Jeruzalem is voor de Zoon van David geen uitgangspunt maar eindbestemming. Jeruzalem als verworvenheid heeft nooit anders dan geweld opgeleverd: bij David in 2 Samuel 11, bij Herodes, en ook in onze dagen. Jeruzalem is onopgeefbaar - als stad van God waarheen ik op weg ben, niet als zetel voor mijn zitvlees.


Wie bouwt voor wie een huis? Davids gebed is bijna verbouwereerd van toon, omdat zojuist zijn denkraam is omgeschud: niet jij maakt ruimte voor de Eeuwige, maar Hij maakt ruimte voor jou. Hij bouwt jouw huis en niet andersom. God is niet de troef in jouw universum. Dat is ook de kern van het geloofsstuk van de ‘maagdelijke geboorte’. De verlossing van Godswege wordt niet door onze geschiedenis voortgebracht, ze geschiedt áán onze geschiedenis. David kan de eredienst van de Eeuwige niet claimen en inbouwen, en noch Israël, noch de kerk kan de Messias als eigen product claimen en inbouwen in zelf-opgetrokken muren. God heeft omgezien, zingen Maria en Zacharias allebei, en niet: het is ons gelukt.


Het koningschap van Gods gezalfde. In Lukas 2,11-12 wordt de Verlosser eerst drievoudig gekwalificeerd, waarna een drievoudig teken wordt gegeven. Het is de moeite waard om die twee drietallen op elkaar te leggen: de geboren Verlosser is a. Christus, b. de Kyrios, c. in de stad van David, hetgeen als volgt herkenbaar is: hij is a. een kind, b. ingebakerd, en c. in een voerbak gelegd. De gezalfde is een kind, de heerser kan zijn ledematen niet bewegen, de Davidische residentie is niet de paleisstad waar David eindigde, maar de pastorale ambiance waarin hij geroepen werd. Zo wordt zijn heerschappij getekend. Geen willekeur vanuit de hoogte, zoals in het verhaal van David en Batseba, maar een weerloos prijsgegeven-zijn aan de geschiedenis die zich tussen God en zijn volk afspeelt.


De belofte vervuld? In zijn gebed aanvaardt David dankbaar de belofte van het altijddurend koningschap van zijn huis. Het ligt voor de hand om die belofte met Kerst te betrekken op Jezus als ultieme zoon van David. Je hebt dan geen last meer van het gegeven, dat historisch gezien de Davidische dynastie wel een paar eeuwen lang, maar toch niet eeuwig in Jeruzalem heeft geregeerd. Alleen - Jezus is niet de vervulling van de belofte in die zin, dat de Godsspraak van 2 Samuel 7 gelukkig toch blijkt te kloppen. Jezus als zoon van David herinnert eraan, dat het in de gestalte van David voortdurend gaat om de aard en kwaliteit van het koningschap bij de gratie Gods. Bij David is dat één lange worsteling, met hoogtepunten en nederlagen. In Jezus wordt het ware koningschap op z’n kop gezet en tegelijk vervuld. Het wordt uitgeleefd, maar niet gevestigd. Je kunt alleen over vervulling van de belofte spreken als je die paradoxen zichtbaar maakt.


Wie 2 Samuel 7 voorleest of laat voorlezen, moet zich overigens wel beraden over de manier waarop de Godsnaam zal worden aangeduid. Niet zozeer om ideologische redenen, maar omdat de zevenmaal ‘Here HERE’ (NBG-vertaling) in onze oren eerder kwezelachtig dan stijlvol klinken. De vraag is hoe je de diepe verootmoediging en het grote eerbetoon van David hoorbaar kunt maken. Is ‘Mijn Gebieder, gij Eeuwige’ een oplossing?


Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht