|
Matteüs 2:13-18 Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2004, nr 1. |
Enkele aantekeningen bij Mattheus 2, 13-18.
• Mattheus knoopt aan bij de Jeremia-tekst over het misbaar van Rachel. Er bestaat een uitgebreide joodse traditie rond Rachels graf. Deze tragische moeder van Israël rust niet bij de aartsvaders, maar eenzaam langs de weg bij Betlehem, daar waar zij gestorven is. De Israëlieten die in ballingschap gingen, kwamen langs haar graf. Het was alsof Rachel hen uitgeleide deed en hun verdriet in het hare opnam. Zo is het graf van Rachel tot vandaag toe de plek waar mensen verdriet komen delen met deze moeder die weet heeft van gemis. Rachel is de ‘dwaze moeder’ van Israël, die weigert zich te laten troosten. Maar wie in Mattheus het Jeremia-citaat leest, behoort ook te weten dat het bij Jeremia de opmaat is tot een geestdriftige heilsverkondiging. Het kan niet blijven bij gemis en leegte, want de Eeuwige ontfermt zich over zijn volk.
• Maar wie in Jezus het heil ziet komen, kan daarmee toch niet zomaar de vermoorde kinderen passeren. Ze zijn een schreeuwend uitroepteken bij de slechtheid van Herodes, maar ze zijn méér dan dat. Ze liggen ze als een steen op de maag van de lezer. Dat gegeven wordt indrukwekkend uitgewerkt door Nobelprijswinnaar José Saramago. In diens boek ‘Het Evangelie volgens Jezus Christus’ ontdekt Jezus dat zijn ouders voor de kindermoord uit Betlehem gevlucht zijn zonder de andere inwoners te waarschuwen. Hij moet concluderen dat hij leeft ten koste van al die kinderen en het peilloze verdriet van hun moeders en vaders. Hoe kan zijn levensweg ooit recht doen aan dat loodzware gegeven? Saramago biedt geen oplossing, want in zijn boek blijkt Jezus uiteindelijk verwikkeld te zijn in een schermutseling tussen een boosaardige God en een minder boosaardige satan.
• In ons gesprek met Israël hebben we er soms moeite mee dat Mattheus de Joden zo sterk tot daders maakt in het proces dat tot Jezus’ dood leidt. Misschien is het in dat verband van belang om te zien dat Jezus in datzelfde evangelie zijn levensweg begint temidden van Joodse slachtoffers. Zo is Jezus uitdrukkelijk niet de enige en niet de eerste die onschuldig omkomt. Ook bij deze aanvankelijke moord leveren religieuze leiders de gegevens en velt een politiek leider, bezield door angst en cynisme, het oordeel. Het voert misschien te ver, maar je zou Jezus’ bewuste levensweg kunnen zien als een gang van solidariteit met deze nameloze slachtoffers. In Mattheus 2 lijkt het alsof hij door een goddelijke ingreep aan het lijden ontsnapt, maar dat is alleen om zich er vervolgens, in heel zijn weg, in Godsnaam rekenschap van te geven.
• De vlucht naar Egypte dient in Mattheus om een Hosea-tekst te laten oplichten: ‘Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen’. Die zoon, dat is Israël, en Mattheus maakt zo duidelijk dat Jezus vanaf het begin de weg van Israël gaat. Hij belichaamt zijn volk, en alleen al daarom kan hij er nooit recht tegenover komen te staan. Alle strijd waarin hij met joodse tegenspelers verwikkeld zal raken, zal de innerlijke strijd van Israël zijn. Tegenover degenen die vechten voor behoud van veiligheid en verworven posities, is Jezus degene die niet vanuit posities opereert, maar vanuit de weg die God met Israël gaat: uit Egypte, door water en woestijn, door ballingschap en lijden heen. Jezus zal niet resideren in de stad, maar buiten aan de weg zijn zolang Rachel daar weeklaagt. De kinderen van Betlehem vergezellen hem als een klemmende opdracht, om tegenover Herodes’ heerschappij een ander koningschap te stellen - dat niet het lijden op anderen afwentelt, maar het op zich neemt.
Piet van Veldhuizen