Lucas 13:1-9 en Romeinen 5:1-11

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2004, nr 2.

Terug naar het overzicht



Er komen mensen bij Jezus met een verhaal over Galileeërs ‘van wie Pilatus het bloed mengde met hun offers’. Dat is mooi literair gezegd, maar het geeft afschuwelijke informatie. Blijkbaar gaat het om pelgrims die in Jeruzalem vermoord zijn terwijl ze hun offer brachten. In de mededeling liggen de vragen besloten: hoe heeft God dit kunnen toelaten? Waren dit gedoemde mensen? Of waren het martelaars? Want in de woorden van Lukas kun je ook beluisteren dat de Galileeërs zelf tot offer worden. Jezus zelf zal ook zo’n Galileeër zijn die gedood wordt terwijl hij voor zijn Paasoffer in Jeruzalem is, en de beker die hij na het Pesachmaal rondgeeft verbeeldt hoe zijn bloed met zijn offer vermengd wordt.

Maar als het over de vermoorde Galileeërs gaat, staat de verbijstering voorop. Gijs Bouwman vergelijkt het met een nieuwsbericht over een bus met pelgrims die in een ravijn stort, of over een kerkgebouw dat instort tijdens een kerkdienst. Het gegeven dat die mensen juist bezig waren met hun religieuze verplichtingen, toegewijd aan de Eeuwige, maakt hun dood des te meer onbegrijpelijk.

Dat geldt misschien ook van de ramp met de Siloamtoren die Jezus zelf te berde brengt. De toren moet deel uitmaken van het complex rond de Siloamvijver, waarvan we weten dat hij een rol speelde bij rituele wassingen. Ook het water dat op het Loofhuttenfeest in de tempel werd uitgegoten als symbool van de tempelrivier, kwam daarvandaan. Zo maken de twee voorvallen samen het beeld compleet van mensen die midden in hun heilige handelingen door een wrede dood worden overvallen. Galileeërs en bewoners van Jeruzalem, offers en wassingen, vuur en water, eucharistie en doop.

Wat heeft Jezus ervan te zeggen? Als je zijn woorden logisch analyseert, zijn ze erg onverkwikkelijk. De slachtoffers waren niet slechter dan jij. Dat kunnen we volgen. Maar dan: als je je niet bekeert zul je net zo te gronde gaan. Volgens onze logica zou daaruit volgen: als je je wél bekeert zul je niet op die manier omkomen, en zij die omkwamen hadden zich blijkbaar niet bekeerd. Zij werden gestraft en pas op, dat lot wacht jou ook, tenzij..

Het probleem is, geloof ik, dat het Evangelie niet met zulke logica werkt. Lukas kán het zo niet bedoeld hebben, want Jezus zelf zal ook zó ten onder gaan, geslachtofferd op Pesach. Maar wat zeggen zijn woorden dan? Allereerst, dat de gang naar de tempel en het badhuis, de gehoorzaamheid aan de traditie, niet werkt als bezwering tegen de grillen van het lot. Al het offeren en reinigen geeft je geen enkele garantie dat jou niets overkomt. Daartegenover zet Jezus de bekering, de beoefening van tesjoeva: dat je je voortdurend met je levenspraxis naar de Eeuwige toekeert. Ik denk dus dat hier, zoals bij de profeten, de praxis tegenover de rite wordt gezet. In de tweede plaats wordt de toeschouwer bij zichzelf bepaald. Niet hoe het met die-daar zit, maar hoe het met jouzelf staat is de vraag.

De mensen komen met het rampverhaal ‘op dat uur’, terwijl Jezus juist heeft verzucht (12,56) dat mensen het uur niet onderkennen. Ze hebben niet door hoe laat het is: het is de hoogste tijd om je leven op ontmoeting met de Eeuwige in te richten, niet door rituele bezweringen maar door tesjoeva te doen. Niet de traditie telt, maar de vruchten eraan: dáárin komt de traditie tot haar recht. Dat is de strekking van de vijgenboom-parabel die volgt. Traditie is een geweldige boom, ze geeft schaduw, maar ze neemt ook zonlicht weg. Ze heeft zin als ze vruchten afwerpt. Anders is ze een sta-in-de-weg die de wijngaard verduistert. De betrekkelijke waarde van de traditie komt treffend uit in het gesprek tussen heer en tuinman: als het geen leven brengt moet het wijken, maar degene het altijd gekoesterd heeft, is eraan gehecht en geeft het graag alle kans om vruchtbaar te zijn. Jezus zegt het als iemand die verknocht is aan de Joodse traditie, maar ik denk dat we ons hierin als mensen van de kerk heel goed kunnen herkennen.


Bij deze klemmende roep tot omkeer zorgt Romeinen 5 voor een zeker tegenwicht. Paulus heeft het daar over het ‘roemen’ dat ons vergund is. Ik proef in die term iets van onbekrompen, vrijmoedig leven. Paulus geeft hier antwoord op de impliciete vraag: waar haal je het lef vandaan om zo vrijuit in het leven te staan?

Het antwoord komt erop neer dat onze levensmoed gefundeerd is in God zelf (11): als Hij ons het leven al gunde toen we nog zijn tegenstanders waren, zal Hij het ons des te meer gunnen nu we tot de kring van zijn vrienden behoren. Als Hij ons opzocht toen we niets van Hem hadden, zal Hij ons niet loslaten nu zijn Geest in ons woont. De grond van ons lef om te leven is dus de overgrote ruimhartigheid van God, betuigd in Jezus en in de gave van Geest.

Interessant is dat Paulus het hooggestemde roemen in de hoop (2) en in God (11) laat opkomen uit de dagelijkse realiteit van het in de knel zitten (3). De hoge dingen staan niet zomaar tegenover de dagelijkse narigheid, maar komen daaruit voort door een soort van transformatie die Paulus in stappen beschrijft: van druk naar Ausdauer, vandaar naar beproefde kwaliteit en vervolgens naar de hoop. Dat is een traject om veel op te mediteren: je kunt blijkbaar, mede door de gave van de Geest, de verdrukking tot een oefening maken die jou waardigheid verleent, waardoor het niet alleen maar vernederend is, maar ook een weg wordt naar diepe persoonlijke kwaliteit. De hoop die daaruit volgt, is niet iets dat anderen je voorspiegelen, maar een perspectief dat hoort bij die uit oefening geboren waardigheid. Het is alsof hier binnen het kader van het christelijke geloofsverhaal even een Boeddhistische meester aan het woord is. De hoge weg van de hoop hangt niet boven de hoofden van lijdende mensen en ontkent niet hun beslommeringen, maar krijgt vaste vorm midden in hun dagelijkse realiteit. Waar haal je het lef vandaan? Uit God zelf.


Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht