2 Koningen 6:24 – 7:20

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2004, nr 4.

Terug naar het overzicht



Het verhaal over het beleg van Samaria is fascinerend, maar ook bijzonder complex, en als stof voor de verkondiging bepaald weerbarstig. Er treden heel wat personages

sprekend op: een vrouw, de koning, Elisa, de adjudant, een groepje melaatsen, een hofdienaar. Daarnaast zijn er nog de zwijgende personages: Benhadad, de oudsten, een bode, Jhwh, het leger van Aram, de poortwachters. De handelingen zijn over al deze spelers verdeeld, zodat er sprake is van een zeer geschakeerd speelveld.

De ernst van het beleg wordt aan het begin aangegeven in economische termen: een fortuin voor een ezelskop, grof geld voor duivenstront. De bevrijding wordt eveneens in termen van voedselprijzen aangeduid: twaalf liter bloem of vierentwintig liter gerst voor één sjekel. Maar tussen de prijzen in komen we mensen tegen van wie het naakte bestaan op het spel staat: de vrouwen en hun kinderen, de melaatsen.

Het verhaal is fraai over de ruimte verdeeld: de muur, het huis van Elisa, buiten de poort, het kampement buiten de stad, het huis van de koning, de weg naar de Jordaan, in de poort. Ook met de tijd wordt zorgvuldig omgegaan: er is een etmaal te besteden, van ‘vandaag’ (6,31) naar ‘morgen om deze tijd’ (7,1), en zo zien we de avondschemering (7,5.7) en de nacht (7,12) passeren, terwijl er ‘s avonds al vooruitgelopen wordt op het morgenlicht (7,9).

De koning wordt niet bij name genoemd. In de ordening van het Koningenboek zou het over Joram moeten gaan, de tweede zoon van Achab. Hij speelt een ambivalente rol in het verhaal: hij staat tegenover Elisa, maar zijn hartgrondige uitspraken verdienen begrip. In het voorafgaande verhaal was het leger van Aram in Samaria ingesloten geraakt, en moest de koning op last van Elisa zijn vijanden te eten geven en laten gaan. Nu heeft datzelfde leger Samaria ingesloten en slaat de honger toe. De koning kan zijn volk niet meer voeden (6,27), hij is volstrekt machteloos, het hemeltergende verhaal over de moeders die hun kinderen opeten maakt hem wanhopig en vooral woedend: als de Godsman en zijn God het zover laten komen, moet er met hen afgerekend worden. De woorden waarmee hij Elisa en diens God de wacht aanzegt, hebben in hun bitterheid iets respectabels. Misschien wordt daarom niet de koning zelf de verliezer in het verhaal. Hij heeft dienaren om zich heen over wie zijn ambivalente houding verdeeld lijkt te worden: de koppensneller voor hem uit (6,32), de adjudant die het ongeloof in Gods woord vertegenwoordigt, de dienaar die het geloof in de Aramese aftocht een kans geeft (7,13). Dat de koning niet alleen fysiek op zijn adjudant leunt, maar ook in de geest dicht bij hem staat, verraadt hij met zijn gezonde argwaan tegenover het relaas van de melaatsen (7,12). Maar wat hij zegt is zinnig, en vervolgens geeft hij gehoor aan het advies van zijn dienaar. Zo blijft eerder het beeld van een koning in machteloze verontwaardiging, dan van een boosaardige tegenstander van God en zijn profeet.

Er valt nog heel veel meer te ontdekken in het verhaal. Hoe verhoudt zich de deur die de oudsten tegen de koppensneller moeten aandrukken om hem buiten te houden (6,32), tot de poort waarin de adjudant vertrapt wordt (7,17)? Is het toevallig dat er driemaal van ‘wegstoppen’ sprake is, telkens met verschillende werkwoorden maar steeds ten nadele van anderen: de vrouw die het kind wegstopt (6,29), de melaatsen die aanvankelijk de buit begraven (7,8), het idee dat de Arameeërs zich in het veld schuilhouden (7,12)? En treedt er, als Elisa Gods woord afkondigt, een soort optelversje in werking waarin de adjudant (hebr. sjalisj, derde man) een rol speelt - een zak bloem, twee zakken gerst, de sjalisj, vier melaatsen, vijf paarden (7,13)?

De melaatsen spelen een prachtige rol. Ze zijn de absolute verliezers, buitengesloten uit de stad, opgesloten tussen de spoort en vijandig legerkamp. Terwijl ze hun desperate actie ondernemen en naar het kamp lopen, in diezelfde avondschemer (7,5.7), laat Jhwh de Arameeërs donderend geraas horen. Er komen vier metzoraïm (melaatsen), maar de vijand denkt dat heel mitzraïm (Egypte) eraan komt en gaat er in wilde vlucht vandoor. Hier zijn de laatsten de eersten geworden, hun uitgesloten-zijn maakt hen tot mensen dicht bij het vuur van Gods heil. Als ze dan ook nog beseffen dat ze er op een dag van goede tijding niet stilletjes met de winst vandoor mogen gaan, doen ze me denken aan die éne melaatse uit Samaria in het Evangelie (Lukas 17,16).

Waarom komt de redding zo laat? Ik denk dat het Gods reactie is op de hulpschreeuw, de tse’aka, van de vrouw. Dat is een technische term voor de noodkreet die ieder die hem hoort tot actie verplicht. De koning, aan wie de kreet gericht is, verwijst bitter naar Jhwh - en die geeft gehoor aan de tse’aka.

Rest nog de vraag, wat er zo fout was aan de opmerking van de adjudant, dat hij het met de dood moest bekopen. ‘Ook al zou Jhwh sluizen in de hemel maken, zou dit dan kunnen geschieden?’ (7,2). Misschien is het beter te vertalen: ‘Zie, Jhwh maakt wel sluizen in de hemel, maar zou dit woord uitkomen?’. Het contrast is dan tussen de kosmische werkzaamheid die de adjudant aan Jhwh toeschrijft, en de voedselprijzen in de poort die Elisa zojuist heeft voorzegd. De hemelsluizen herinneren aan de zondvloed, en misschien associëren ze ook met de stortregens na de godenstrijd in 1 Koningen 18. Goden gaan boven koningen. Goden gaan over de elementen, koningen gaan over steden. Eerlijk voedsel tegen een billijke prijs, dat is typisch waar een koning garant voor staat. De man op wie de koning leunt, lijkt erop te wijzen dat de profeet zich net als zijn God bij diens kosmische dimensies moet houden, en niet moet bazelen over zaken binnen de stadspoort, over prijzen, maten en gewichten. Deze man van de hiërarchie zal er op fatale wijze achter komen, dat de voeten van het volk veel meer gewicht hebben dan de arm van de koning. Niet de sluizen van de hemel openen zich, maar het arme stadsvolk stort zich naar buiten. De man heeft geen gelegenheid meer om zijn universum te herschikken...


Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht