Jesaja 8:23 – 9:7, Lucas 2:1-20, Titus 2:11-14

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2005, nr 1.

Terug naar het overzicht



Het is niet gemakkelijk om Jesaja 9 los te lezen van de christelijk-traditionele kerstcontekst. Het is van lieverlee een kerststukje geworden, een sfeertekst vol decemberduisternis en kerstvreugde. Maar wil deze lezing aan ons verstaan van het Kerstfeest iets toevoegen, dan moeten we de kracht van de tekst eerst los van het kerstfeest leren kennen.

Ik ben geneigd, het laatste vers van Jesaja 8 maar weg te laten, omdat dit vers grote vertaalproblemen geeft. De eerste regel van vers 23 hoort volgens de masoretische indeling nog bij het vorige gedeelte, en wordt door de vertalingen zeer verschillend geduid. In de overige regels staan een ‘vroeger’ en een ‘later’ tegenover elkaar, maar in welk opzicht? De meeste vertalingen laten reeds in dit vers een donker verleden contrasteren met een lichte toekomst, maar zowel Buber/Rosenzweig als de herziene Willibrordbijbel vertalen in de zin van ‘eerst viel het nog mee, later werd het écht erg’. Op gezag van de extra witregels bij Buber en Rosenzweig laat ik de lezing maar het liefst met 9:1 beginnen.

In de woorden van Jesaja klinkt een geweldige opluchting. De beelden zijn heel sprekend. Licht breekt door in de duisternis. Euforie grijpt om zich heen, na alle bange onzekerheid van de strijd of van het groeiseizoen: de buit is binnen, we hebben het gered! De het juk, de stang, de zweep, de schoen, de bloedrode mantel: de symbolen van knechting en vijandelijke overheersing worden kapotgemaakt. De nachtmerrie is over, er mag weer geleefd worden. Al die opluchting heeft te maken met de geboorte van een prins, die een nieuw tijdperk van vrede zal inluiden. Alle hoop van het volk wordt in klinkende titels samengevat, de heerschappij van de nieuwe prins wordt al in de harten gevestigd nog vóór hij een vinger heeft kunnen uitsteken.

Daarmee lijkt de Jesaja-tekst een stuk verzetsliteratuur te zijn: het roept in geknechte mensen de euforie wakker, het doet een appèl op alles wat hun rest aan hoop en positieve energie, zodat ze niet te murw zullen zijn om hun kans te grijpen als die zich voordoet. Mensen moeten de vrijheid al in zich dragen als de bevrijding komt. Want als alle hoop is uitgedoofd, loop je de gevangenis niet uit, ook al staan de deuren open.

Mensen die een bevrijdingsstrijd hebben meegemaakt, moeten de intensiteit van deze profetie kunnen meemaken. De vraag is wel of de overstap naar Titus 2 dan nog lukt. Ook daar bevinden we ons in een tussentijd, tussen de verschijning van Gods genade en de volle doorbraak ervan. Maar Titus 2 laat zich bepaald niet als verzetsliteratuur lezen. Het doet geen appèl op euforie, het boort niet in murwe mensen de bronnen van uitzinnige vreugde aan, maar vermaant juist tot bezonnenheid en plichtsbesef. Het is alsof Titus geen geknechte mensen tot vrijheid wil roepen, maar vrijgevochten mensen tot de orde roept. Maar hij gebruikt daarvoor toch bevrijdingstaal: je bent losgekocht van de ongerechtigheid, gered uit de goddeloosheid, en daarom zul je nu bezonnen en verstandig, vlijtig en rein leven. Het klinkt mij in de oren als ‘bevrijd tot fatsoen, weg met de pret’, maar voor mensen die in de chaos van de regelloosheid verzuipen, kan dit werkelijk bevrijdend zijn. De nood waaruit mensen bevrijd worden is dus in Jesaja en Titus diametraal tegengesteld.

De vraag is nu, hoe we Lucas 2 tussen deze teksten positioneren. De engelen verkondigen vreugde voor heel het volk, vanwege de geboorte van de Davidische prins. Ook hier begint een tussentijd: het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis is nog lang niet voorbij. Mensen worden geroepen om het beginsel van bevrijding op te zoeken en tot zich toe te laten. Maar wat is in de ogen van Lucas de nood? Wat is de duisternis en de slavernij waaruit deze boreling zijn volk zal bevrijden?

Lucas zit, zowel met zijn taal als met de emotie van zijn verhaal, veel dichter bij Jesaja dan bij Titus. Hij is er niet op uit om zijn lezers voor bandeloosheid te vrijwaren en tot goed gedrag aan te sporen. Hij is bezig met de machtsverhoudingen in de wereld. De hemel gaat open om te melden dat de gesloten orde van de Pax Romana van onderaf opengebroken wordt.

Maar Lucas 2 is wel vanuit een ander perspectief geschreven dan Jesaja 9. Lucas schrijft, als ik het goed zie, niet om de harten van de verdrukten te verruimen. Hij schrijft om vrije mensen te bewegen, zich aan te sluiten bij de tegenbeweging die met de verschijning van Jezus begint. Zijn beoogde publiek zit niet opgesloten in duisternis en slavernij, maar kan samen met hem het speelveld overzien dat zo wijd is als het Romeinse rijk. Tegen de Romeinse hiërarchie in, en onderweg ook tegen de joodse hiërarchie in, komt van onderaf de Jezusbeweging opzetten, maar juist dat ‘van onderaf’ komt uit de hemel. Net als in Jesaja gaat het over een alternatieve heerschappij, met andere middelen. Niet als sociaal-politiek experiment, maar als uitdrukking van Gods ultieme koningschap. Ik heb geen idee wat Jesaja zich concreet bij zijn nieuwe prins voorstelde, maar in Lucas verkondigen engelen aan herders (de Allerhoogste aan de allerlaagsten) dat de messias een kind is, dat de kyrios in zijn doeken geen vin kan verroeren, dat je bij de Davidsstad geen troon maar een voerbak moet denken. Niet dwingende macht, maar weerloze overgave zal de kracht zijn waarop dit tegenkoningschap gebaseerd is. Dat moet je je ook nog herinneren als je ziet hoe, aan het eind van Lucas’ dubbele boek, Paulus met gebonden handen Rome binnenkomt. De verticale beweging van Lucas 1-2, waarmee de hemel in een uithoek van het rijk onder onbetekenende mensen de kiemen van een ander rijk zaait, zal omslaan in de horizontale beweging die Rome zal veroveren, volgens de laatste woorden van Handelingen, ‘met alle vrijmoedigheid, ongehinderd’.

De hermeneutische vraag is, tot wie we in deze Kerstnacht het woord willen richten: tot een murwgebeukt volk dat we bevrijding gunnen, tot vrijgevochten mensen die we een heilzaam gareel willen aanbieden, of tot vrije mensen die we willen uitnodigen, zich bij Gods tegenbeweging aan te sluiten? Van het antwoord op deze vraag hangt het af, welke lezing we in de prediking als uitgangspunt nemen.



Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht