|
Johannes 9 en 1 Samuel 16:1-13 Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2005, nr 2. |
Je kunt de drie teksten voor deze zondag lezen als variaties op het thema ‘licht en duisternis’. In de Samuel-lezing gaat het om de paradox dat we, door alleen te zien wat onze ogen zien, in feite in het duister tasten. We moeten niet onze ogen geloven, maar verwachten dat er verborgen waarheid aan het licht treedt.
In de epistellezing gaat het om een levenswandel die hetzij bij het licht, hetzij bij de duisternis hoort. Ook hier is sprake van een paradox, want het licht waarin de werken getoetst worden is niet het alledaagse zonlicht noch de publieke opinie van de leefomgeving, maar het licht van de opgestane Heer dat voor de wereld verborgen is.
Op weer een andere manier speelt de omkering van licht en donker een rol in Johannes 9, waar de blinde licht in de ogen krijgt, maar tegelijkertijd de zienden blijk geven van verblinding. De opponenten in het verhaal zijn voortdurend doende om niet hun ogen te hoeven geloven, omdat hetgeen voor ogen is niet spoort met wat zij innerlijk voor waar houden. Een interessante vraag, tussen Samuel en Johannes in, zou zijn: plegen wij in ons alledaagse bestaan onze ogen te geloven, of volgen we altijd al sterker de overtuiging van ons hart dan het licht van onze ogen? En mocht dat laatste het geval zijn, waar is ons hart dan vol van: van duistere beweegredenen, of van het licht van Christus? Ziehier een hermeneutisch middelpunt, door theologische driehoeksmeting verkregen uit drie ongelijksoortige teksten.
Johannes 9 is een bijzonder fascinerende tekst. Het verhaal is opgebouwd uit zes scènes, waarin de hoofdpersonen in telkens wisselende configuraties optreden. Wie de voortgang en de opbouw van de spanning voelbaar wil maken, zou ervoor kunnen kiezen om telkens één scène te lezen en te overwegen, zodat lezing en verkondiging in zes fasen plaatsvinden. Dan blijft de dynamiek van het verhaal bewaard, vooral als het lukt om al verkondigend niet op de ontwikkeling in volgende scènes vooruit te lopen.
De eerste scène (1-7) had in een ander evangelie een afgerond verhaal kunnen zijn. De leerlingen willen weten wiens zonde aanleiding is voor de blindheid, maar Jezus verandert hun vanwaar-vraag in een waartoe-vraag. Hij maakt het lot van de blinde niet sluitend met een donkere oorzaak, maar opent het met een potentie die alles met licht te maken heeft: de werken Gods kunnen in hem aan het licht treden. Na deze toelichting bevrijdt Jezus de man metterdaad van zijn blindheid.
In de tweede scène (8-12) willen de buren en omstanders weten hoe de blinde ziende heeft kunnen worden. Eerst moeten ze hem identificeren, dan moet hij vertellen hoe het gebeurd is, tenslotte willen ze weten waar degene is die het gedaan heeft. Dat zijn allemaal quasi-journalistieke vragen, anders dan de vanwaar-vraag van de leerlingen en de waartoe-vraag van Jezus.
Maar er zit meer dan journalistieke interesse achter, want in de derde scène (13-17) brengen ze de ex-blinde bij de Farizeeën. Die stellen nogmaals de hoe-vraag, maar brengen die in tweede instantie op een hoger plan: hoe kan het dat iemand tot zoiets in staat is? Nu wordt de genezene gevraagd, zich uit te spreken over Jezus, en hij houdt het erop dat die een profeet is.
De vierde scène (18-23) geeft een merkwaardige regressie te zien: de joodse leiders trekken de identiteit van de genezene nog eens in twijfel, en kloppen bij zijn ouders aan met de vragen die in de tweede scène aan de blinde zelf waren gesteld. Maar er wordt ook een nieuw element ingebracht: maatregelen die de persoon van Jezus betreffen, blijken de vrijheid om gewoon te erkennen wat er gebeurd is, drastisch in te perken. De conclusie dat Jezus iets anders is dan een zondig mens, is bij voorbaat uitgesloten. Dáárom is men zo druk met de feiten in de weer: ze moeten zodanig worden bijgesteld, dat ze niet tot de verboden conclusie leiden.
Zoals de vierde scène de tweede hernam, loopt de vijfde (24-34) parallel aan de derde. De hoe-vraag wordt opnieuw gesteld, en de genezene is het zat om zijn relaas nog eens te houden. Met een ironische wedervraag ontmaskert hij de verborgen motieven van zijn ondervragers. Daardoor komt openbaar dat wat een onderzoek naar de feiten leek, in feite deel is van een strijd om de vraag in hoeverre de persoon van Jezus iets anders mag zijn dan een zondig mens zoals alle anderen. De ex-blinde is nu uitgedaagd om in die strijd openlijk stelling te nemen. Polarisatie kenmerkt deze scène, die met een heftig uiteengaan afloopt.
In de zesde scène (35-41) zoekt Jezus de genezene op om hem naar zijn conclusies te vragen, en evalueert hij wat er voorgevallen is. Hier is plaats voor een ultieme belijdenis van de kant van de blinde die nu de ziende is, en een oordeel over degenen die zich als zienden beschouwen, maar die hun ogen wensen te sluiten voor wat er gebeurd is.
De begrippen ‘zondigen’ en ‘zondaar’ spelen door het hele verhaal heen. Het begon met de vraag of zonde de oorzaak van de blindheid van die éne man was; het eindigt met het oordeel dat degenen die niet tot inzicht willen komen, niet vrij worden van hun zonde. In de dialogen nemen de joodse leiders het woord ‘zondig’ meermalen in de mond om zowel de genezene als Jezus aan te duiden.
Heel fascinerend is de relatie tussen de ziende blinde en Jezus. Deze man is in het vierde evangelie de enige persoon naast Jezus die de woorden “ego eimi” in de mond neemt. Ze staan er quasi-onschuldig als de man bevestigt dat hij degene is die blind was. Maar de man fungeert ook in de afloop van zijn samenspraak met de joodse leiders als een stand-in voor Jezus. De twijfels aan zijn identiteit gaan gelijk op met de twijfels aan die van Jezus, en als uitgeworpene deelt hij het lot van degene die hij vervolgens als Heer belijdt. Gaat het hele verhaal daarom niet over het proces van tot-inzicht-komen aangaande Christus, waarin zich altijd weer het proces van Jezus manifesteert?
Piet van Veldhuizen