|
Nehemia 9:6-15 op de zondag van de Goede Herder Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2005, nr 2. |
De zondag van de Goede Herder bindt de ingeroosterde lezingen samen. Het laatste vers van de epistellezing (1 Petrus 2,25) spreekt over schapen die aan het dwalen waren, maar zich nu omgekeerd hebben naar de herder en opziener van hun zielen. In de evangelielezing presenteert Jezus zichzelf als de herder tegenover de rovers, en als de deur waardoorheen de kudde enerzijds weidegrond en anderzijds beschutting vindt.
Het is niet moeilijk op in dat licht de lezing uit Nehemia 9 te zien als een lofzang op het goede herderschap van de Eeuwige, zoals dat in de wordingsgeschiedenis van Israël tot uiting komt. God heeft zijn volk uitgeleid, beschermd, zijn stem leren kennen, gevoed, gedrenkt.
We hebben hier te maken met een anamnese, waarmee Israël op een later tijdstip zich de trouw van God te binnen brengt. Maar de vraag is of we recht doen aan de tekst van Nehemia door die anamnese uit zijn specifieke verband te halen. Wat door de uitsnede van de verzen 6-15 een tamelijk onschuldige lofzang lijkt op Gods grote daden in den beginne (de schepping van de wereld, de roeping van Abraham, de uittocht van Israël), staat in een context van boete en pijnlijk afscheid. De lofprijzing en de herinnering aan de geschiedenis moet de aanwezigen de kracht geven om een ingrijpende stap te doen waarvan we vandaag alleen met zeer gemengde gevoelens kennis kunnen nemen. Ze nemen afstand van de 'vreemdelingen' met wie ze zich in de afgelopen tijd door huwelijk en gezinsvorming verbonden hebben, en ze beloven (zie Neh. 10,31) om zich niet meer door uithuwelijking met de omringende volken te vermengen. Er wordt wel gedacht dat de laatste perikopen van het boek Ezra, waar het gaat over de ontbinding van alle huwelijken met niet-joodse vrouwen, betrekking hebben op dezelfde plechtigheid. Het boek Ezra eindigt met een lijst van namen van priesters en levieten, en dan de woorden: 'Deze allen hadden uitheemse vrouwen gehuwd, maar ze stuurden ze, weg, met hun kinderen.
De anamnese, zo prachtig als zij klinkt, begeleidt dus een wegzending van niet-joodse mensen. Ze moeten weg omdat zij aan deze bezongen geschiedenis geen deel hebben, of sterker nog, omdat hun aanwezigheid ook de zonen van Israël van hun geschiedenis en hun God gescheiden houdt. De vreemdelingen krijgen niet de schuld: die nemen de Israëlieten zelf op zich. Maar ze moeten wel weg. In de termen van deze zondag: in naam van de goede herder moeten ze uit de kudde worden verwijderd, want ze horen er niet bij. De kudde moet zuiver blijven.
Om misverstand te voorkomen: het gaat hier niet om een etnische zuivering. Niet het joodse bloed, maar de roeping om een volk-apart te zijn. De formulering in vers 2 is in dit verband veelzeggend: de nakomelingen van Israël zonderden zich af van alle vreemdelingen. Naar de idee werden dus niet de anderen weggestuurd, maar trad Israël apart, om zijn eigen bijzondere geschiedenis voort te zetten en zijn ongewone roeping te volgen. Het was een nieuwe uittocht, waarvoor een hoge prijs werd betaald. De wegzending van de vrouwen was in de beleving van de auteurs van Ezra en Nehemia geen gemakkelijke zuivering, maar een groot offer dat door de joodse betrokkenen met boetedoening moest worden gebracht.
Als moderne lezer echter, en als christelijke lezer, ben ik geneigd me te verplaatsen in de weggezondenen. Vanuit dat perspectief is de anamnese een tekst die mij uitsluit. Ik ben dan begrepen in de opsomming van zes volkeren die plaats moesten maken voor het zevende, voor Israël (vers 8). Als er nu in de dagen van Nehemia opnieuw plaats gemaakt moet worden, een toneel voor het heil moet worden vrijgemaakt, moet ik wijken.
Het zal erom gaan, dit onverteerbare perspectief in gesprek te brengen met het perspectief van de auteur. Die geeft uitdrukking aan de overtuiging dat Israël alleen zijn roeping kan volgen door zijn identiteit vast te houden, door apart te zijn. Integratie en assimilatie zouden het einde van de belofte betekenen. De bijzondere verbondenheid met de Eeuwige, die in de ballingschap intenser dan ooit is beleefd, mag niet na terugkeer in Jeruzalem teloorgaan in algemene religiositeit. Israël kan alleen tot zegen zijn als het trouw blijft aan zijn aparte positie. Dat is een overtuiging die zowel toen als vandaag heftige voor- en tegenstanders vindt.
De vraag is nu hoe het evangelie van Jezus Christus zich verhoudt tot de situatie die in Nehemia wordt beschreven. Ik ben geneigd te denken, dat Jezus het voor de weggestuurden zou hebben opgenomen, en dat hij een innerlijke, niet aan afstamming of geschiedenis gebonden zuiverheid zou hebben gepredikt. De evangelielezing van deze zondag echter suggereert, dat Jezus het perspectief van Nehemia niet zozeer openbreekt, als wel radicaliseert. In alle gevallen is de oergeschiedenis van uittocht en doortocht, woestijnreis en wetgeving de poort tot het heil. Die geschiedenis is in de Babylonische ballingschap herbeleefd en tot levende traditie geworden. Zo wordt ook de ballingschap als voorgeschiedenis een toegangspoort, een criterium dat onderscheid maakt tussen joden als dragers van de Exodus-ervaring enerzijds, en de 'vreemdelingen' anderzijds.
Als nu Jezus volgens Johannes zegt: 'Ik ben de deur', gaat het opnieuw om de geschiedenis van uittocht en doortocht, woestijnreis en wetgeving, dus om de geschiedenis van Pasen en Pinksteren – maar nu zoals die is herbeleefd in leven, dood en opstanding van Jezus Christus. Daarmee wordt de collectieve toegangspoort van de na-exilische joodse identiteit geradicaliseerd en versmald tot één persoon. Zei men in de dagen van Nehemia dat je de ballingschap meegemaakt moest hebben om te weten wat het is om volk van God te zijn, Jezus zegt nu dat je zijn weg moet zijn gegaan om dat te weten. Alleen via die maximale versmalling wordt in de johanneïsche visie de erfenis van het jodendom toegankelijk voor alle mensen.
Het boeiende van dit perspectief is, dat het herdersmotief zo verbonden wordt met Pasen en Pinksteren (uittocht en wetgeving) als de oorsprong van Israël, en met de ballingschap en Jezus Christus als getrechterde toegangen tot die oorsprong.
Piet van Veldhuizen