Matteüs 13:44-52 en 1 Koningen 3:5-12

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2005, nr 3.

Terug naar het overzicht



De Matteüs-perikoop biedt een aantal korte, puntige vergelijkingen die licht moeten werpen op het ‘koninkrijk van de hemel’. Als we de verschillende uitspraken naast elkaar leggen, valt in de eerste plaats op dat het moeilijk te bepalen is, wat nu precies met wat wordt vergeleken. In de tweede plaats lijken de verschillende vergelijkingen, hoewel ze bijna in één adem genoemd worden, niet samen één pointe te hebben: de akker en de parel sporen met elkaar, maar bij het visnet lijkt een heel andere waarheid aan de orde te zijn. Daar gaat het immers niet over de totale concentratie op het oneindig kostbare, maar over het proces van schifting waarvoor men speciaal gaat zitten, en er is expliciete aandacht voor de rotte (sapra) vis die in dat proces wordt weggegooid. Als deze parabelspreuk vervolgens wordt verklaard lijkt het enthousiasme over de schat en de parel uit de eerdere spreuken te verdwijnen achter het tandengeknars van de booswichten die als rotte vis zijn weggeworpen. Dan is er tenslotte ook nog die raadselachtige slotzin over nieuwe en oude schatten. Het wordt gebracht als een slotsom die pas geformuleerd kan worden als de leerlingen bevestigd hebben dat ze het voorgaande hebben begrepen. Dat bewijst in ieder geval dat de auteur of redacteur van de perikoop het verband zag, en de tekst niet als een verzameling losse spreuken opvatte. Maar welke aspecten van de voorgaande parabelspreuken worden er dan in die slotsom opgesomd?


Het gaat in alle uitspraken om het koninkrijk van de hemelen. De vraag is of we niet beter van koningschap of heerschappij kunnen spreken, want het gaat niet om een land of om een staatsvorm. Het gaat om de situatie waarin de hemelse verhoudingen de aarde beheersen, waarin God daadwerkelijk in het leven van de mensen regeert. Die situatie wordt door de spreuken getypeerd. Maar zal het lukken om de spreuken over schat en parel in samenhang te brengen met de spreuk over het visnet?

Welbeschouwd gaat het in alle spreuken over een radicale schifting, een oordeel of een keuze. De schat brengt de vinder ertoe om afstand te doen van alles wat hij bezit, waardoor hij scheiding maakt tussen dat éne en al het andere. De koopman kiest voor de éne parel en laat daarvoor alle andere kostbaarheden schieten. In het visnet heb je eerst rijp en groen door elkaar, maar men gaat ervoor zitten om de scheiding te voltrekken. Zoals het in de tekst geformuleerd wordt, wisselt punt van vergelijking telkens: eerst is het wat de mens vindt (de schat), dan is het de mens zelf (de koopman) die de schat vindt, en vervolgens is het de situatie (het visnet) waarin de mensen als gevangen vissen worden geschift. Maar telkens geldt: geen koningschap van God zonder scheiding, keuze en oordeel. Op die gedachte moeten de leerlingen ‘ja’ zeggen voordat Jezus de laatste spreuk formuleert.

In die laatste spreuk gaat het over een schriftgeleerde die bij Gods koningschap in de leer gaat. Als de voorgaande spreuken hiertoe de opstapjes waren, verwacht ik dat hier gezegd zal worden: zo zal ook een schriftgeleerde die Gods heerschappij laat gelden, in de Schriften keuzes moeten maken, het vele voor het éne moeten inwisselen. De schriftgeleerde beheert een huis vol schatten, te vergelijken met het visnet of met de hele santekraam van de koopman. De vraag is nu hoe hij daarmee omgaat. Hoe beheren wij de traditie? Het kan iets hebben van een rommelzolder waar je altijd weer wat moois vindt, een rariteitenkabinet. Het kan functioneren als een rijk archief waarin je anderen kunt rondleiden, met interessante bijbelcursussen. Je kunt als schriftgeleerde op ambachtelijke wijze inlichtingen verschaffen aan koning Herodes, zodat hij zijn soldaten naar Betlehem kan sturen. Ook dat is putten uit de rijkdom van de Schriften.

Ik vermoed dat de spreuk bedoelt te zeggen, dat schriftgeleerden geen neutrale suppoosten kunnen zijn, maar vanuit een radicale keuze met de Schriften zullen moeten omgaan. Er staat van alles en nog wat in de Bijbel, maar de prediking kan geen museale rondleiding zijn. Zou het kunnen dat Jezus dát in deze spreuk uitdrukkelijk zegt? Het probleem is dat ik niet zeker weet hoe je dat woord ekballo, letterlijk uitwerpen, moet opvatten. De vertalingen zeggen dat de geleerde als een huisheer oude en nieuwe dingen ‘te voorschijn haalt’. Maar eerder was er tweemaal sprake van het wegwerpen (ballo) van rotte vis en kwaadaardig volk. In de gebruikelijke vertaling is de schriftgeleerde iemand die altijd wel iets aardigs uit zijn kelder weet te halen – maar dat strookt van geen kanten met het voorgaande. Is hij niet eerder iemand die van alles aan de straat moet zetten omdat er in zijn schatkamer ruimte moet zijn voor dat éne, de actuele heerschappij van God in ons bestaan? Leerlingen van het koninkrijk worden immers steeds weer geroepen tot afstand-doen, schifting, keuze, oordeel.

Misschien dat daarom het leesrooster gekozen heeft voor de combinatie met 1 Koningen 3,5-12, waar Salomo niet kiest voor rijkdom of een lang leven maar voor wijsheid om keuzes te kunnen maken en goed en kwaad te kunnen schiften. Eerder in het hoofdstuk is duidelijk gemaakt dat Salomo zich met Egypte had verbonden en dat hij op meerdere offerhoogten in het land offers placht te brengen. De man van de duizend vrouwen brengt nu op de hoogte van Gibeon een offer van duizend dieren. Op dat moment verschijnt de Eeuwige en vraagt hem, de man van de duizelingwekkende veelheid, om één wens te doen. Hij vraagt oordeelswijsheid, om te leren onderscheiden tussen goed en kwaad. De verzamelaar wil leren schiften, met heel zijn onmetelijke rijkdom wil hij leren, zich te concentreren op het éne dat geboden is – zoals hij vervolgens doet in het beroemde Salomonsoordeel, en ook daarna als hij de tempel bouwt.

Ik voel mij behaaglijk temidden van de rijkdom van de Schriften en van mijn boekenkast – zoveel waarover je vertellen kunt, zo interessant, en goed voor lange winteravonden schriftuurlijk gepuzzel dat wetenschap en vroomheid tegelijk is. Maar ik vrees dat Jezus in Matteüs 13 zegt dat ook daar de bezem door moet.


Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht