|
Rechters 3 Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2005, nr 4. |
Als we in enkele weken voeling willen krijgen met de verhalen van het boek Rechters, is het niet verstandig om de lezing te beperken tot de verzen 5-11. Dit beknopte verhaal over de eerste rechter Otniël geeft een helder beeld van de grondvorm van de rechterverhalen. Maar juist daarom is het goed om het iets verder opgetuigde verhaal van Ehud er direct achteraan te lezen. De hoorder krijgt dan een idee van hoe het werkt. Er zullen hoe dan ook bij deze eerste lezing uit de reeks inleidende dingen moeten worden gezegd.
Maar ook de eerste verzen van Rechters 3 mogen niet ontbreken, al roepen ze bij de huidige lezer onmiddellijk weerstand op. Daar wordt uitgelegd dat onder Jozua niet alle andere volken uit het land waren verdreven of uitgeroeid, omdat JHWH ook de komende generaties op de proef wilde stellen. Een deel van de oude landsbevolking bleef dus als oefenstof aanwezig, om te bezien of Israël in staat zou zijn om zich om de God van Israël te blijven concentreren. Een interessant gegeven voor het integratiedebat: een multiculturele samenleving, uitdrukkelijk bedoeld als uitdaging om trouw te blijven aan de eigen traditie.
Volgens vers 5 woont Israël als zevende volk temidden van de zes volkeren van het land, een sabbatsvolk temidden van de zwoegvolkeren. Maar al direct blijkt dat het zevende volk tot één van de vele wordt, het aparte gaat eraf. In dat kader staat het repeterende schema van het boek Rechters: ze dienden de afgoden – JHWH gaf hen over aan vijanden – ze schreeuwden naar JHWH – Hij deed een rechter opstaan die bevrijding bracht – toen was er rust.
De term ‘rechters’ verdient de nodige aandacht. We moeten ons realiseren dat hier nog geen sprake is van een scheiding der machten. De rechter (sjofeet) is niet iemand die een onpartijdig oordeel velt. Hij herstelt het recht met alle middelen die hem ter beschikking staan. Maar ook ‘recht’ is hier geen evenwichtig begrip. De rechter staat op als JHWH het hulpgeschreeuw van Israël heeft gehoord. Het gaat om de uiterste noodkreet (ze`aqah of tse`aqah) die een medemens niet mág negeren en die JHWH niet kán negeren. Dat de nood enkele verzen eerder nog Israëls verdiende loon was, speelt dan geen rol meer. Wie de geschiedenis van de noodkreet in de Tora en de vroege profeten langsloopt, ontdekt hoe consequent die schreeuw het motief voor het ingrijpen van Israëls God is.
Otniël, de eerste rechter, heeft in Jozua en Rechters een kleine voorgeschiedenis. Hij is een Judeeër, een neef van Kaleb, die samen met Jozua het verkennersduo vormde dat fiducie had in de gave van het land. Jozua 15:15-19, dat letterlijk herhaald wordt in Rechters 1:11-15, vertelt hoe Otniël een stad verovert nadat Kaleb zijn dochter Achsa als prijs voor die prestatie heeft uitgeloofd. Achsa is aan hem gewaagd, want zij weet bij de stad eerst via Otniël een stuk land te bedingen, en vervolgens via haar vader een aantal watervoorzieningen. Maar in Rechters 3 wordt over de daden van Otniël niet uitgeweid. De geest van JHWH is op hem, hij bevrijdt zijn volk, en er is rust zolang hij leeft.
Karel Deurloo wijst er in het boekje Geen koning in die dagen (Ten Have, Baarn 1982) op dat de namen van de vreemde koningen waarschijnlijk opzettelijk zijn verbasterd. Risataïm betekent in het Hebreeuws zoiets als ‘Dubbelschoft’ en Eglon betekent ‘Stiertje’. Je kunt het vergelijken met de naam Zes-en-een-kwart waarmee in 1940-‘45 gouverneur Seyss-Inquart werd aangeduid. De namen van de vreemde overheersers moeten van meet af aan op de lachspieren van de hoorders van het boek Rechters hebben gewerkt.
Na de Judeeër Otniël komt de Benjaminiet Ehud. Die wordt op een bijna hilarische manier geïntroduceerd. Hij is in één zin ben-jamini, zoon van de rechterhand, maar ook itter jad-jamini, zijn rechterhand functioneert niet. Hoewel daarmee bedoeld is dat hij linkshandig is, boezemt deze manier van presenteren bepaald geen ontzag in. Maar juist de handicap blijkt zijn troef te zijn. De actie van Ehud wordt eerder als een laconieke schelmenstreek dan als een heroïsche daad verteld. Hij trekt niet ten strijde, maar gaat schatting afdragen. Met een reeks van listen misleidt hij de bewaking en het personeel van het hof. Het doodsteken van de vette koning Stiertje wordt zo verteld dat het vooral een potsierlijke vertoning is. Niet de dappere held wordt verheerlijkt, maar de overheerser wordt belachelijk gemaakt. In die zin zou je een groot deel van het boek Rechters kunnen lezen als een antimilitaristisch boek: de bevrijding komt telkens op een manier die haaks op de militaire deugden staat.
Dat geldt ook voor het laatste vers van Rechters 3, over Samgar. Aan hem worden maar drie zinnetjes besteed, waarvan het middelste zijn daad als bevrijder vertelt: hij verslaat de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenprik. Geen magisch heldenzwaard, maar een prikstok waarmee je koeien bijeendrijft. Samgar is niet een strateeg of een militaire held. De weinige woorden over hem suggereren een soort wildeman, een koeherder die in zijn razernij praktisch ongewapend een heel leger te grazen neemt.
Intussen moet je blijven bedenken dat de verteller zich niet alleen vrolijk maakt om de bezetter die eerloos ten onder gaat. Het boek benadrukt telkens weer dat Israël zelf zich het ongeluk op de hals haalt. Het volk blijkt niet in staat om weerstand te bieden tegen de aantrekkingskracht van de lokale vruchtbaarheidscultus, en verbreekt keer op keer het verbond met JHWH. Op deze manier is Rechters een belangrijke fase in het experiment Israël. De leefregels van de Sinaï en de gedachtenis aan Gods grote daden blijken niet voldoende om het volk in het spoor te houden. Zonder leiderschap lukt het niet, het leven loopt naar alle kanten uit het spoor. De rechters zijn in de meeste gevallen geen echte leiders: ze maken een einde aan een noodsituatie en dan begint alles weer van voor af aan. Misschien zijn ze wel doelbewust geschilderd als allesbehalve koninklijke types. Over koningschap gaat tenslotte pas het volgende deel van de vroege profeten.
Piet van Veldhuizen