Rechters 6:1-24

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2005, nr 4.

Terug naar het overzicht



Het rooster wijdt maar liefst vier zondagen aan de rechter Gideon in Rechters 6 en 7. Dat geeft de kans om diep in het verhaal te duiken. Maar het is wel belangrijk om te beseffen dat deze twee hoofdstukken slechts een deel van het Gideon-verhaal vertellen. In feite hebben we te maken met een dubbelverhaal dat de hoofdstukken 6 tot en met 9 beslaat. Want in hoofdstuk 8 blijkt dat het volk Gideon en zijn zonen als koningsdynastie over zich wil aanstellen. Gideon slaat dat voorstel af onder verwijzing naar Gods koningschap, maar zijn zoon Abimelech laat zich alsnog tot koning uitroepen, waarna het grillige verhaal volgt over zijn slechte heerschappij en zijn eerloze ondergang. Abimelech is de opvolger van Gideon, en in Rechters 10:1 wordt gezegd dat na Abimelech Tola opstaat. Toch wordt Abimelech niet als één van de rechters aangemerkt. Zijn verhaal hoort bij dat van Gideon als de keerzijde van een medaille. Het laat zien dat de macht om te heersen wel van vader op zoon kan overgaan, maar de roeping om te bevrijden niet.

De eerste helft van Rechters 6 vertelt het roepingsverhaal van Gideon. De nood van het volk wordt veel uitgebreider beschreven dan in de voorgaande verhalen. De Midjanieten bezoeken Israël als een sprinkhanenplaag die gedurende zeven jaren het land kaalvreet. Dat is een opvallend beeld. Als de Egyptenaren in Exodus 1 de Israëlieten ervaren als een plaag die heel het land vult en die bestreden moet worden, krijgen ze in antwoord diverse plagen die heel hun land bedekken. In Numeri 22 ziet de koning van Moab de hordes van Israël komen als een plaag die het land zal afgrazen. Maar nu krijgt Israël zelf de volkeren als een plaag te verduren. Als ze het uitschreeuwen naar de Eeuwige, komt er een profeet om uit te leggen waaraan ze dat te danken hebben. De associatie met de plagen wordt in zijn woorden bevestigd doordat verwezen wordt naar de bevrijding uit Egypte en de verdrijving van de volkeren.

Het is frappant: dat op de noodschreeuw ditmaal niet direct de bevrijding volgt. Eerst komt de profeet met een verklaring. Er wordt niet gezegd op welke plek die profeet zijn woorden spreekt. Hij belooft geen bevrijding, maar wijst Israël alleen op zijn ongehoorzaamheid. Blijkbaar moet dat eerst maar eens doordringen, zonder dat er een oplossing klaarstaat.

Pas daarna komt er een hemelse boodschapper naar een concrete plek, om de persoon te roepen die de bevrijder zal zijn. Maar die bevrijder zal straks ook nog tekenen van God vragen voordat hij ten strijde trekt. Zo wordt het simpele schema van onderdrukking – noodschreeuw – bevrijding in elk volgend verhaal steeds minder simpel ingevuld.

Met de verschijning van de boodschapper begint een klassiek-bijbels roepingsverhaal. De geroepene heeft vanaf het begin tegenwerpingen: zelfs op de begroeting antwoordt hij in het negatieve. Hij wijst op de gapende kloof tussen de grote bevrijdingsverhalen van ooit en de barre werkelijkheid van nu. Maar prompt wordt hij daar zélf op aangesproken, op een bijzondere manier. “Ga in deze kracht van jou”, zegt de engel die hem eerder al een sterke kerel noemde. Gideon, die zijn hartstocht investeert in zijn negatieve reactie, wordt opgeroepen om diezelfde hartstocht, “deze kracht”, positief in te zetten, ter bevrijding. De dapperheid die hij in het verborgene betoont door graan uit handen van de bezetter te houden, en ook door de trouw van God ter discussie te stellen, wordt door de boodschapper gewaardeerd, maar ze moet nu in een bevrijdende richting omgebogen worden.

Gideon wijst, zoals het in een roepingsverhaal hoort, met verve op zijn ongeschiktheid. Hij is niet de persoon om het volk op de been te brengen: de jongste van de familie, die weer de geringste is van Manasse – en Manasse is immers de mindere van de zonen van Jozef. Gideons zorg is dat een bevrijder in Israël een breed draagvlak zou moeten ontwikkelen. Dat is een mooie opmaat naar de opdracht, later, om zijn leger steeds verder uit te dunnen totdat alleen zijn Gideonsbende overblijft.

Gideon heeft inmiddels het sterke vermoeden dat hij met JHWH spreekt, en wil dat bevestigd zien met een teken. Hij maakt een maaltijd klaar die doet denken aan wat Abraham in Genesis 18 aan de drie boodschappers voorzette. In beide gevallen worden er pannekoeken gebakken van circa 45 liter beslag, en wordt er een compleet dier geslacht en gebraden. Net als Abraham gaat Gideon niet even gauw iets halen: het bereidingsproces impliceert een geruime tijd voor meditatie, waarin behalve het eten ook de persoon wordt ‘klaargemaakt’ voor wat er verder zal gebeuren.

Evenals bij Abraham wordt de maaltijd geserveerd onder een eikenboom. Maar anders dan bij Abraham moeten de gaven op een rotsblok als een offer worden neergelegd, en verdwijnt de boodschapper op het moment dat het offer in vuur wordt geconsumeerd. De stem van JHWH blijft wél klinken, alsof de boodschapper alleen het contact moest leggen dat nu onbemiddeld verder gaat.

Het hoort weer bij het klassieke roepingsverhaal dat Gideon dodelijk verschrikt is als hij beseft dat hij oog in oog met een gestalte van JHWH heeft gestaan. Dit radicale besef van sterfelijkheid in Gods machtige presentie is een belangrijk fundament voor het echte bevrijderschap, omdat voor succesvolle bevrijders de verzoeking van de zelfvergoddelijking altijd op de loer ligt.

JHWH spreekt Gideon sjaloom toe, waarna Gideon een altaar bouwt dat hij JHWH Sjaloom noemt. De NBV maakt daarvan dat de Heer Gideon gerust stelt en dat het altaar heet: de Heer geeft rust. Ik vraag me af of dat niet een al te sussende weergave is. Sjaloom is niet zomaar rust, maar heilzame orde – dat de dingen op hun plek vallen en de mensen tot hun recht komen voor het aangezicht van de Eeuwige. Dat betekent voor Gideon wel dat hij leven mag, maar niet dat er rust komt, integendeel. De goede orde vraagt van hem binnen zijn eigen volksgemeenschap een leven op het scherp van de snede. De zondagslezing op het rooster mag dan suggereren dat een spannend verhaal geruststellend is afgelopen, maar al in de volgende zin neemt het voor Gideon een onrustbarende wending.


Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht