|
Rechters 6:25-40 Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2005, nr 4. |
Dat ‘de Heer geeft rust’ in vers 24 een te gemakkelijke weergave van ‘JHWH sjaloom’ is, blijkt al direct in de nacht die op Gideons roeping volgt. Hij krijgt de opdracht om de attributen van de Kanaänitische vruchtbaarheidscultus op zijn ouderlijk erf neer te halen, het altaar van Baäl en de paal van Asjera. In plaats daarvan moet een altaar voor JHWH worden gebouwd en daarop moet een offer worden gebracht. Dat is de eerste bevrijdende daad die Gideon moet stellen. Want niet de Midjanieten staan Gods goede orde in de weg, maar de vreemde verering waaraan Israël zich heeft overgegeven. Pas als deze eerste daad van omkeer is gesteld, heeft het zin om de Midjanieten het hoofd te bieden.
Hoewel deze grote lijn heel helder is, zitten we in dit verhaalfragment met een aantal lastige problemen. In het voorgaande, in vers 24, had Gideon ook al een altaar gebouwd. Toen was er nog geen sprake van afgodenverering op het erf. Niets stond de verschijning van de boodschapper van JHWH in de weg. Wel was er een eik of terebint, een voor de hand liggende plek van vreemde verering, maar die speelt in het huidige fragment weer geen rol. De twee stukken tekst lijken niet helemaal op elkaar aan te sluiten, maar ze concentreren zich ook op verschillende dingen. In de verzen 11-24 ging het om Gideons confrontatie met de Eeuwige, terwijl het in de verzen 25-32 gaat om de confrontatie met de afgodendienst die daaruit volgt.
Een ander probleem is de stier die Gideon moet offeren. Letterlijk lijkt er te staan dat hij de runderstier van zijn vader en de tweede stier (van) zeven jaar moet nemen. De Septuagint en de Vulgata gaan ervan uit dat hier twee dieren bedoeld zijn, maar volgens moderne vertalingen geeft de tweede aanduiding een nadere invulling van de eerste: de stier van zijn vader, namelijk de tweede, van zeven jaar. De vertalers van de Societas Hebraica Amstelodamensis geven als verklaring dat volgens de Tora de eerste stier al geofferd moet zijn (Richteren, NBG/KBS 2001, p. 177). Maar als Gideons vader de bouwer is van het Baälsaltaar, is zeer de vraag of we moeten veronderstellen dat hij de mozaïsche wetten in acht neemt. Een andere oplossing is om het adjectief anders te vocaliseren en happar hasjani te lezen: ‘de volgroeide stier’, of ook ‘de rode stier’. Bij de typering als volgroeide stier past de leeftijdsaanduiding: zeven jaar. Volgens vers 1 duurt de Midjanitische plaag ook al zeven jaar, zodat deze stier die hele periode vertegenwoordigt. In een land dat aldoor leeggeplunderd wordt, moet deze stier een bijzonder kostbaar en zorgvuldig bewaakt bezit zijn. Misschien is er ook een verband met het gegeven dat de stier een Baälssymbool is. Dat de asjerapaal als brandhout wordt gebruikt om op het nieuwe altaar van JHWH de stier van zeven jaar afgoderij te offeren, zou een sprekend symbool zijn van Gideons reformatie.
Volgens het verhaal dankt Gideon aan deze actie zijn tweede naam, Jerubbaäl, ‘laat Baäl met hem twisten’. Als je het hele verhaal doorleest krijg je de indruk dat beide namen uit verschillende tradities stammen, en hier door de redactie met elkaar worden verbonden. Maar de verbinding is zinvol. De bevrijder is wezenlijk degene die de strijd met de afgodendienst aanbindt, en zó is hij bevrijder. Zou hij alleen op Midjan hebben ingehakt, dan zou hij een symptoombestrijder zijn geweest.
Maar nu is, vanaf vers 33, de volgende plundertocht van de vijanden in aantocht. Gideon krijgt de geest en brengt de noordelijke stammen op de been. Pas als de troepen zich bij hem hebben vervoegd, vraagt hij alsnog een teken van JHWH, dat bovendien nog een keer moet worden herhaald om hem volledige zekerheid te geven. Gideon is niet, zoals later zijn zoon Abimelech, een overmoedige geweldenaar. Hij doet wat hij doet omdat hij zijn roeping niet naast zich neer kan leggen. Dat is eerder ook al duidelijk als hij het altaar van Baäl niet overdag neerhaalt, als een persoonlijke provocatie, maar ‘s nachts: hij doet in vrees en beven wat hem is opgedragen.
Het teken dat Gideon vraagt is intrigerend. Het lijkt op het eerste gezicht alsof hij een willekeurig teken vraagt, dat de volgende nacht in omgekeerde zin herhaald moet worden om elk toeval uit te sluiten. Maar zoiets als een willekeurig teken is in het bijbels wereldbeeld ondenkbaar. Het lijkt erom te gaan dat JHWH het verschil maakt, zoals Hij in de schepping scheiding maakt tussen licht en donker, land en zee, lucht en water. Je kunt je de schaapsvacht op de dorsvloer voorstellen als Israël temidden van de volken, of als Israëls troepen op de vlakte. JHWH kan levengevende dauw laten neerdalen op die schaapsvacht terwijl Hij diezelfde dauw onthoudt aan de omgeving. Maar omgekeerd kan ook. In die zin is het tweede teken niet alleen bevestigend maar ook waarschuwend. Israël kan onder Gods zegen een oase in de woestijn zijn, maar onder Gods oordeel kan het ook een woestijn midden in een vruchtbare wereld zijn.
Tot nu toe heeft Gideons verhaal zich thuis afgespeeld, op het erf van zijn vader, rond perskuip, altaar en dorsvloer. Pas in het volgende hoofdstuk trekt hij erop uit om de vijand tegemoet te gaan. Eerst moest hij van zijn roeping worden doordrongen, dan in vrees en beven een einde maken aan de afgoderij, en vervolgens de zekerheid verwerven dat de God die het verschil maakt, hem naar de confrontatie met de bezetters leidt. Maar ook als hij te velde trekt, zal de dialoog met JHWH doorgaan. Zijn strijd is in grote mate een geestelijke strijd, waarin hij zijn eigen vrees moet bevechten en van de presentie van een God die hem aanspreekt doordrongen moet raken, terwijl JHWH de uiterlijke vijand verslaat.
Piet van Veldhuizen