|
2 Samuel 7:1-16, Lucas 1:26-38 Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2006, nr 1. |
Het is belangrijk om ook de eerste drie verzen van 2 Samuel 7 in de schriftlezing op te nemen. Daar constateert koning David in een gesprek met de profeet Natan dat hijzelf in een cederhouten huis woont, terwijl de ark van God slechts achter een gordijn vertoeft. De profeet begrijpt waar David heen wil en geeft hem bij voorbaat alle ruimte: doe wat je hart je ingeeft, de Eeuwige is met je. Maar de volgende dag moet Natan daarop terugkomen, want ‘s nachts heeft hij een godsspraak ontvangen. Dat is een belangrijk gegeven: de koning en de profeet worden beiden verrast als God hun vrome voornemens een halt toeroept. Er volgt een goddelijke meditatie over het wonen van de Eeuwige, en over de vraag wie voor wie een huis bouwt.
Dit verhaal wordt nu als adventslezing gecombineerd met het annunciatieverhaal uit Lucas 1. De vraag is dus hoe de godsspraak uit 2 Samuel 7 samenklinkt met de aankondiging van Jezus’ geboorte. Dat nodigt ertoe uit om bij de teksten te mediteren over Gods manier van wonen onder de mensen. Een andere mogelijkheid is om de verbinding te zoeken in het eeuwigdurend davidisch koningschap dat in 2 Samuel 7 wordt beloofd en in Lucas 1 waargemaakt. Zo’n schema van belofte en vervulling maakt wel het verhaal sluitend, maar dreigt er tegelijk de dynamiek uit te halen. Het geeft ons christenen gelijk door Jezus als ultieme zoon van David aan te wijzen, maar we zijn er meer bij gebaat om (net als David) uit ons evenwicht gebracht te worden, dan om gelijk te krijgen. Daarom geef ik er de voorkeur aan, de vraag van Gods wonen in onze wereld te thematiseren.
In 2 Samuel 7 valt tweemaal de term ‘bet arazim’, huis van ceders. In vers 2 constateert David dat zijn eigen cederhouten huis wel erg contrasteert met het tentgordijn dat de ark omgeeft. In vers 7 vraagt JHWH of hij zelf zijn volk ooit verweten heeft dat het geen cederhouten huis voor hem bouwt. Nu is cederhout inderdaad het bouwmateriaal waaruit zowel het paleis als de latere tempel worden opgetrokken, maar achter de term gaat nog meer schuil. Het eerste deel van de Ugaritische Baäl-mythe wordt voortgestuwd door het gegeven dat Baäl, in tegenstelling tot de andere goden, geen huis heeft. Hij moet van El en de raad der goden toestemming krijgen om zich een huis te laten bouwen, maar dat verlof krijgt hij niet zonder slag of stoot. Meermalen in het verhaal klinkt de uitroep: Baäl heeft geen huis! Als uiteindelijk, na de voorspraak van diverse andere goden, de tempel er mag komen, wordt het ‘een huis van ceders’, waarvoor cederbomen van de Libanon worden aangevoerd.
Tot zover de Baäl-mythe. De godsspraak uit 2 Samuel 7 lijkt wel mede op dat gegeven te reageren. Baäl is beklagenswaardig zolang hij geen cederhouten huis heeft, maar JHWH is niet beklagenswaardig! Baäl moet het ervan hebben dat anderen voor hem een huis bouwen, maar JHWH is zelf degene die een bewoonbare toekomst voor zijn volk bouwt.
In 2 Samuel 7 wordt zowel in Davids woorden als in de godsspraak de tegenstelling benadrukt tussen de tent waarin de Eeuwige altijd met zijn volk is meegetrokken, en het cederhouten huis. David vindt dat contrast gênant, maar de Eeuwige meent dat er niets mis is met kamperen temidden van zijn volk: heeft Hij ooit om het exclusieve woongenot van een cederhouten huis gevraagd? Dat gegeven is vruchtbaar te maken voor de adventsprediking, als we Gods woning-maken in de mens, zowel in Maria als in het menszijn van Jezus, in het verlengde van deze godsspraak zetten. Ook als er in Jeruzalem eerst een cederhouten en later een stenen godshuis komt te staan, zal dat de woning zijn van een God die met zijn volk meetrekt, en die zich dus in beginsel niet aan dat huis laat binden. Daarmee verliest het cederhout zijn primaire betekenis. In een land waar het cederwoud van de Libanon doorgaat voor een Kanaänitische Olympus representeerde een cederhouten gebouw de bovenwereld van de goden. Paleis en tempel staan daarmee op ongenaakbare afstand van het leven van gewone mensen. Vandaar misschien ook dat we David in 2 Samuel pas echt als ‘man naar Gods hart’ zien optreden als hij buiten zijn paleis is, voor de ark uit, of later op de vlucht voor Absalom.
Voor de idee van Maria als tabernakel waarin de Eeuwige woning zoekt bij zijn volk, is in Lucas 1 nog een ander boeiend aanknopingspunt te vinden. Als de engel in vers 35 tegen Maria zegt dat de Heilige Geest over haar zal komen en de kracht van de Allerhoogste haar als een schaduw zal bedekken, is daar sprake van een verdubbelde uitspraak in een parallellismus membrorum, maar tegelijk worden er twee onderscheiden beelden gebruikt. De Geest van God komt over rechters en profeten en over David (in LXX telkens met hetzelfde voorzetsel epi), dus over mensen die door de Eeuwige tot een bijzondere opdracht tot heil van zijn volk worden geroepen; de term ‘als een schaduw bedekken’ daarentegen herinnert sterker aan de tabernakel, die door de heerlijkheid van JHWH in de gestalte van een wolk werd overschaduwd (Ex 40,35; Num 9, 18.22, skiazo of episkiazo). Daarmee wordt dan niet zozeer de bijzondere waardigheid van Maria aangegeven, maar eerder de radicale toewending en inwoning waartoe de Eeuwige besluit, en die wonderwel in overeenstemming blijkt te zijn met zijn woon-ideeën in 2 Samuel 7.
Nog steeds bouwt God voor David en niet andersom. Dat wordt in Lucas 1 benadrukt doordat degene die de troon van David zal ontvangen (32), geboren zal worden zonder dat de man uit het huis van David (27) eraan te pas komt. Lucas beklemtoont niet zozeer de maagdelijke geboorte waarmee antieke helden graag hun curriculum vitae beginnen, maar veeleer het feit dat God net als in 2 Samuel 7 het initiatief bij de stamvader weghaalt: het huis van David wordt door God gebouwd, en niet andersom.
Litt.: W. Beyerlin, Godsdiensthistorisch tekstboek rond het oude Testament, KBS 1976.
Piet van Veldhuizen