Deuteronomium 20:19-20 en 22:1-8

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2006, nr 1.

Terug naar het overzicht



Als we het cluster van teksten overzien dat voor deze eerste lezing uit Deuteronomium is ingeroosterd, valt op dat een heel aantal wetsregels een ecologische strekking lijkt te hebben. Er is aandacht voor bomen, vee, lastdieren en wilde vogels. De verantwoording van de keuze in het katern In Orde geeft aan dat het gaat om bepalingen die duidelijk maken dat Israël geen eigenaar zal zijn die naar goeddunken kan beschikken over het land waarin het zal leven. Maar het is niet gemakkelijk vast te stellen wat de spits van de verschillende regels is. Ze zijn zowel ecologisch als utilitair, zowel scheppingsgericht als mensgericht uit te leggen. Wel ontnemen ze de mens die in zijn eigen onmiddellijke belang handelt, zijn oogkleppen en maken ze hem bewust van de grotere verbanden waarin hij zijn leven dient te ordenen.

Het rooster kiest voorafgaand aan de perikoop 22,1-8 eerst de twee slotverzen uit hoofdstuk 20 waarin het gaat over bomen in oorlogstijd. Wie het leest moet wel weten dat het volgt op de regels voor het doden van de inwoners van een belegerde stad: buiten het beloofde land moeten alleen alle mannen worden gedood, binnen het beloofde land moeten na inname van de stad alle mannen, vrouwen en kinderen gedood worden. Maar de vruchtbomen moeten worden gespaard. Dat is niet uit respect voor bomen, want alle bomen die geen eetbare vrucht dragen, worden zonder meer vrijgegeven om voor militaire doeleinden gekapt te worden. Het zal er eerder om gaan dat vruchtbomen noodzakelijk zijn voor het leven in het land. Dat heeft ook een geestelijke kant: God heeft de mens de vruchtbomen gegeven om van te eten, waardoor ze een soort teken van Gods voedende goedheid zijn. Je mag ze niet tot partij in de strijd verklaren. Overigens is niet helemaal duidelijk wat er bedoeld wordt met de retorische vraag: zijn bomen soms mensen? De Nederlandse vertalingen suggereren dat het erom gaat dat bomen niet in de strijd betrokken mogen raken, maar de letterlijke vertaling is simpeler: zijn bomen soms mensen, om bij jullie weg te lopen de belegering in? Dat betekent: bomen kunnen zich nu eenmaal niet in de vesting terugtrekken. Respecteer daarom hun weerloosheid, anders zit het land straks zonder fruit. De allerlaatste, in de NBV weggelaten woorden ‘...totdat ze (nl. de stad) neergaat’, vervullen met huiver: als je de wet naleeft, staan als de stad neergaat de vruchtbomen nog overeind, maar begint wél de slachtpartij onder de mensen.

De bepalingen in hoofdstuk 22 lijken elkaar op te volgen op basis van trefwoorden, zonder dwingend verband. Het gaat eerst over afgedwaalde dieren, dan over gevonden voorwerpen, vervolgens wordt het dierenthema nog even opgepakt met de gevallen lastdieren – maar de verloren kleding (sjimlah) van vers 3 brengt de regelgever bij de vermenging van kleding in vers 5. Het vogelnest is opnieuw iets wat je aantreft op de weg, na verdwaalde dieren en gevallen eigendommen (een excurs in het joodse JPS-commentaar van Tigay denkt aan een uit de boom gevallen nest), en al dat vallen brengt ons dan ook nog bij de balustrade die moet zorgen dat mensen niet van je dak vallen.

Het lijkt erop dat deze regels er stuk voor stuk toe dienen dat de mensen zich voegen in een grotere, heilzame orde die ze in hun individuele handelen gemakkelijk uit het oog verliezen. De zorg voor andermans dieren dient zowel de dieren als hun eigenaars, maar vooral ook versterkt het een besef van gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het geheel van de samenleving. Verwaarlozing van andermans lastdieren is, meer nog dan het laten liggen van andermans omgevallen fiets, een symptoom van verloedering en fragmentering van de samenleving.

Het verbod op travestie in vers 5 lijkt te horen bij de merkwaardige verboden in de verzen 9-11 die juist buiten de lezing vallen. De dingen moeten gescheiden blijven, alsof met vermenging van verschillende grondstoffen, zaden of trekdieren het heldere onderscheid van Gods scheppingswerk ongedaan wordt gemaakt. Tegen de wet van de entropie in, waardoor (als je niets regelt) alles vanzelf tot chaos wordt, moeten mensen het scheidende scheppingswerk van God mee in stand houden door in allerlei gewone dingen de grenzen zichtbaar te houden – niet de morele grenzen maar de kosmische, die ermee beginnen dat wol geen linnen is, een rund geen ezel en een man geen vrouw. De vraag is of wij in staat zijn om zo’n werkelijkheidsbegrip nog te volgen. Onze tekst bepaalt dat een vrouw geen mannengerei mag dragen en een man geen vrouwenkleren. Met ‘gerei’ (keli) wordt waarschijnlijk niet zozeer op kleding, maar op typisch mannelijke attributen gedoeld, zoals wapens. Wie eerst hoofdstuk 20 doorgelezen heeft, begrijpt dat het onderscheid tussen mannen en vrouwen helder moet blijven, al was het maar om in een ingenomen stad te kunnen bepalen wie gedood moet worden en wie mag blijven leven...

Ook de bepaling aangaande het vogelnest lijkt met de wereldorde te maken te hebben. Je mag het nest uithalen, maar de moedervogel moet je laten gaan. Daarbij wordt dezelfde beweegreden toegevoegd die in de Decaloog wordt aangevoerd bij het gebod om je ouders te respecteren: opdat je zelf lang zult leven. Dat wijst erop dat deze regel te maken heeft met een soort taboe-grens tussen de generaties: ouders en kinderen zijn niet één pot nat. Zoals je ook niet op één dag een schaap en haar jong mag slachten (Lev. 22,28) en niet een bokje mag koken in de melk van de moeder (Deut. 14,21). De regel is zinvol in het kader van een duurzame omgang met natuurlijke hulpbronnen, maar ze komt niet voort uit ‘liefde voor de natuur’ in de moderne zin. De grensoverschrijdingen waarvoor gewaarschuwd wordt, hebben eerder te maken met een heilig verband dat door mensen niet straffeloos kan worden geschonden.

De in het rooster voorgestelde lezing bevat nog juist die éne regel die ons doet denken aan de arbowet. Wie een huis bouwt, moet ervoor zorgen dat een ander niet van het dak kan vallen. Dat klinkt voor ons zó redelijk, dat de vraag is wat zo’n los bouwvoorschrift op deze plek doet. Maar de gedachte lijkt te zijn dat jouw nieuwe huis zich aan doodslag schuldig maakt als er iemand van het onbeveiligde dak valt. Dat is niet zomaar een juridische aangelegenheid: jouw huis heeft dan een grens overschreden waardoor op jouw familie bloedschuld rust. Op die manier hoort ook een balustrade bij de goede orde van de schepping.


Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht