Jeremia 1:4-19

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2006, nr 2.

Terug naar het overzicht



De openingszinnen van het roepingsvisioen van Jeremia hebben geleid tot een aantal mooie verhalen in de rabbijns-joodse traditie.1 Zo zou Jeremia als enige mens reeds besneden ter wereld zijn gekomen (zie vers 5). Hij weigerde geboren te worden zolang zijn vader hem geen naam had gegeven, en alle namen wees hij af totdat Elia verscheen om de naam Jeremia aan te reiken. En zodra hij geboren was, sprak hij met de stem van een jonge man (zie vers 6).

Wij zeggen soms dat iemand voor een bepaalde taak in de wieg gelegd is. Dan bedoelen we dat iemand er uitermate geschikt voor is. Maar als van Jeremia wordt gezegd dat hij vanaf zijn conceptie tot profeet is bestemd, heeft dat niets met zijn kwaliteiten te maken. Het onderstreept vooral de onontkoombaarheid van zijn roeping. Of hij geschikt is of niet, hij zal eraan moeten geloven. Zijn boodschap is, volgens het verhaal, niet iets waar hij in de loop van zijn leven toe gekomen is. Jeremia draagt niet uit enthousiasme een overtuiging uit. Hij zou liever zijn tong inslikken, maar hij heeft geen keus.

Wie zoekt naar een goede inleiding op het boek Jeremia, kan het beste in één ochtend of middag, zonder stoppen het hele boek doorlezen. De NBV-tekst leent zich uitstekend voor zo’n exercitie. Dan zal blijken hoezeer het roepingsverhaal in Jeremia 1 past bij het gehele boek. Jeremia komt naar voren als een man die zich tussen hamer en aambeeld bevindt en die daar voortdurend onder lijdt, zowel innerlijk als in zijn lotgevallen. Niet alleen roepen zijn woorden weerstand en conflict op, maar ook hijzelf huilt van binnen om de ondergang die hij moet verkondigen. Zou hij echter zwijgen, dan zou hij de Eeuwige tegenover zich vinden. Zo belichaamt Jeremia de onmogelijke verhouding tussen de Heilige en zijn grillige mensenkinderen. Zijn verscheurdheid en zijn hevige emoties maken het drama tastbaar dat zich tussen God en mensen afspeelt.

Het roepingsverhaal in Jeremia 1 biedt op dat alles een vooruitblik. Het bestaat uit een reeks van elementen. Eerst zijn er de roepingswoorden van de Eeuwige die aangeven dat Jeremia onontkoombaar voorbestemd is tot zijn profetische taak. Zijn roeping gaat aan zijn bestaan vooraf: eerst is er zijn taak en dan pas komt hijzelf om die te vervullen. Toch volgt, zoals dat hoort in een roepingsverhaal, een poging van Jeremia om zich aan die taak te onttrekken: ik kan niet spreken, ik ben jong. Ook Mozes en Jesaja kwamen, toen ze geroepen werden, met de tegenwerping dat hun mond ongeschikt was voor het spreken van Gods woorden. In de reactie van de Eeuwige wordt op beide argumenten, die van de leeftijd en die van het niet-kunnen-spreken, ingegaan. Leeftijd heeft er niets mee te maken: als God je zendt, dan ga je. En Jeremia’s mond wordt door Gods aanraking toegerust om zijn woorden te spreken, hetgeen doet denken aan de manier waarop Jesaja’s mond geheiligd werd tijdens zijn roepingsvisioen. De Eeuwige onthult in zijn repliek bovendien wat achter Jeremia’s tegenwerpingen schuilgaat: de vrees voor alle confrontaties die het profetische spreken met zich mee zal gaan brengen.

De aanraking van de mond en de woorden die daarbij klinken, vormen een soort installatie-handeling, waarmee Jeremia ondanks zijn verzet daadwerkelijk in het ambt van profeet wordt bevestigd. Zijn opdracht wordt in zes werkwoorden uitgedrukt: uitrukken, afbreken, verdelgen, verwoesten, bouwen, planten. De reeks is fascinerend: de metaforen lijken afwisselend ontleend aan landbouw en stedenbouw, hoewel de termen van het middelste paar niet eenduidig aan die twee gebieden toe te wijzen zijn. De tegenstelling tussen de eerste twee termen en de laatste twee suggereert een concentrische opbouw van de reeks, maar het middelste paar bevat geen tegenstelling. De indruk is dat Jeremia overwegend tot destructieve arbeid geroepen wordt, maar die zal uiteindelijk ruimte moeten scheppen voor bouwen en planten. Dat maakt zijn taak zo ondankbaar: er moet veel gerooid en gesloopt worden voordat de tijd van bouwen en planten zal komen. Het hele boek Jeremia laat zien hoe zijn publiek hem zijn afbrekende werk kwalijk zal nemen.

Op de bevestiging volgt de intrede: Jeremia krijgt nog binnen zijn roepingsverhaal zijn eerste twee profetische beelden binnen, beide met ondertiteling. Eerst ziet hij een tak van een boom waarvan de Hebreeuwse naam sjakeed de sleutel tot het beeld is: waakboom, of er-snel-bij - Buber en Rosenzweig noemen het Zeitigreg, want “ja, zeitig rege ich mich über meine Rede”. De amandelboom waarover het gaat, heeft zijn Hebreeuwse naam gekregen omdat hij na de winter als eerste wakker wordt en bloesem krijgt. Het tweede beeld laat zien dat er onheil over Juda en Jeruzalem zal worden uitgekiept: een ziedende ketel vanuit het Noorden, de richting waaruit de veroveraars uit Mesopotamië zullen binnenkomen. Als tweeluik verbinden de tak en de ketel de waakzaamheid van Israëls God met de komst van Israëls vijanden. Die twee staan niet tegenover elkaar, maar liggen in elkaars perspectief. Dat is precies de waarheid die Jeremia er een heel boek lang niet in krijgt bij zijn volk.


Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht

1Louis Ginzberg, Legends of the Jews, Philadelphia: JPS 2003, 1067vv