Jesaja 25:6-9, Kolossenzen 3:1-4, Johannes 20:1-18

Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2006, nr 2.

Terug naar het overzicht



In alle drie de lezingen voor Paasmorgen is sprake van een dubbele realiteit: een doodswerkelijkheid en een heilswerkelijkheid. Maar de positionering van de lezer ten opzichte van die twee realiteiten is in de teksten heel verschillend. Je zou daarom de teksten kunnen langslopen met de vraag: in wat voor wereld leef je? Hoe verhouden gevangen-zijn in de dood en bevrijd-zijn tot het heil zich tot elkaar?

De Jesaja-lezing zoals die in het rooster is afgebakend, laat alleen de heilsrealiteit zien, maar wie hem uit de bijbel voorleest en niet uit het missaal, ziet dat de perikoop nog even doorloopt. Tegenover de berg van het feestmaal is er Moab (het land van de ‘vlakte van Moab’), en in vers 10 wordt de verhouding tussen die twee verticaal voorgesteld: de hand van de Eeuwige is op de berg, maar daar beneden wordt Moab met voeten getreden. Alle vreugde en troost in de bovenwereld van de heilige berg wordt, hoe vervelend wij dat ook mogen vinden, in contrast geplaatst met een onderwereld waar alles neerwaarts gaat: vertreden, vernederd, neergehaald. Misschien heeft de profetie de diepte van Moabs vernedering nodig om zichtbaar te maken dat de ellende waaruit God je bevrijdt geen illusie of boze droom is, maar een werkelijkheid waarboven je wordt uitgetild. Het is een omkering van verhoudingen, want het volk dat de profetie ontvangt is meer vertrouwd met vernedering dan met verhoging, of om in het beeld van vers 10 te blijven: het lijkt meer onder Gods voeten dan onder zijn hand te leven.

In Kolossenzen 3 is er ook een bovenwereld en een benedenwereld. Wij leven beneden, zegt de auteur, en Christus leeft boven. Maar door onze verbondenheid met Christus is de bovenwereld waar we nog niet bij kunnen, bepalender voor ons dan de wereld waarin we leven. Onze dagelijkse omstandigheden worden radicaal gerelativeerd, we zijn er niet in opgesloten, het is niet onze enige werkelijkheid. Ons zwaartepunt ligt buiten onszelf, en ook buiten alles wat mensen of machten kapot kunnen maken. In termen van Jesaja 25: al lig je nog in de modder beneden, je leven is verankerd op de berg daarboven. Het feestmaal sluit jou niet uit, maar in, ook al ben je nog niet binnen. Je zou je moeten afvragen hoe zo’n werkelijkheidsbeleving zich verhoudt tot ons denken over ‘virtual reality’. Wat is virtueel en wat is substantieel in dit wereldbeeld?

Het tafereel in de evangelielezing kan gelezen worden als een illustratie bij Kolossenzen 3. Jezus verschijnt er als iemand die niet uit de dood is teruggekomen, maar die door de dood heen is verder gegaan. In de intimiteit van de ontmoeting wordt duidelijk dat beiden, Maria en Jezus, zich op dat moment in twee verschillende werelden bevinden – maar ook dat het om de verbinding tussen die twee werelden gaat. Maria van Magdala hoeft niet op te klimmen om de heilsrealiteit te vinden: die verschijnt aan haar in de diepte van haar rouw, in de graftuin. Maar tegelijk kan ze die realiteit niet vasthouden of bezitten. Ze kan niet beschikken over de realiteit die vanaf dat moment bepalend voor haar leven is, maar ze wordt er wel door opgetild. Ze staat op en ze gaat, om in het doodsbestaan boodschapper te zijn van de heilswerkelijkheid.

In het evangelie volgens Johannes is de opstanding van Jezus de bekroning van zijn weg door de diepte. Er zijn niet zomaar twee werelden, boven en beneden, waarbij wij de pech hebben om in de verkeerde wereld te zitten. Onze opdracht is ook niet om de benedenwereld te ontstijgen door ons bezig te houden met wat boven is. De weg van de Mensenzoon leidt door de diepten van het doodsbestaan heen, en hij laat zich vinden door mensen die hem, zoals Maria van Magdala, in die diepten zoeken en volgen. De opstanding is geen ontkenning van dood en lijden, maar een bevestiging van het feit dat de weg naar het voltooide leven door dat alles heen voert. De verbinding met Christus ‘daarboven’ helpt ons om het leven hier beneden serieus te nemen, niet als een doem of een noodlot maar als een weg om te gaan.



Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht