|
Marcus 9:14-30 Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2006, nr 3. |
Als we de lezing, zoals het Oecumenisch Leesrooster voorstelt, laten beginnen met ‘en terstond’, is het duidelijk dat we midden in een verhaal stappen. Het verhaal over de geest-uitdrijving vormt dan ook een tweeluik samen met het voorgaande verhaal over de verheerlijking op de berg. Wie het los wil lezen, moet in ieder geval vers 14 in de lezing betrekken. Dan wordt duidelijk uit welke richting Jezus arriveert, en dan is ook duidelijk waar de eerste vraag van Jezus (16) op slaat en aan wie ze is gericht.
De overgang tussen beide verhalen, waarin we Jezus zien afdalen, benadrukt de verticale ruimte die bestreken wordt: van een stem uit de hemel tot een kind op dat de grond neergeworpen ligt. Degene die afdaalt is daarboven vanuit de hemel als Zoon gekwalificeerd, zodat er zowel op de berg als onderaan de berg sprake is van een verbondenheid van vader en zoon. Een hemelse Vader, een afdalende Zoon, dan een op de aarde staande vader en tenslotte een gevloerde zoon – ziedaar de manier waarop hemel en aarde elkaar raken. Het gesprek in onze perikoop gaat met name tussen de twee middelste figuren in de keten. Dat is spannend, want zowel boven als beneden blijken vader en zoon innig verbonden te zijn, maar tussen de Zoon van boven en de vader van beneden is er aanvankelijk vooral sprake van wrevel, verwijt en ongeduld. Het is vooral de afdalende Jezus die aangeeft dat van zijn kant de verbinding tussen hemel en aarde zou kunnen afknappen: hoe lang zal ik jullie nog verdragen?
Leerlingen van Jezus zijn, alsof ze stage lopen, bij het hele traject van boven tot beneden betrokken. Zowel bovenop de berg als onderaan de berg geven ze blijk van goede wil maar ook van onbegrip. Zowel boven als beneden krijgen ze na afloop een zwijggebod.
In de overgang tussen beide taferelen, in vers 15, valt me de emotie van de menigte op: exethambethesan – dat woord komt driemaal in het evangelie voor: behalve aan de menigte hier wordt het toegeschreven aan Jezus in Getsemane en aan de vrouwen bij het open graf. In beide andere gevallen duidt het op angst en verbijstering, dus ik begrijp niet waarom de vertalingen het in onze perikoop op verbazing of verrassing houden. ‘En terstond toen de menigte hem zag, waren ze verrast’ – dat is nonsens. Er valt vrees over de menigte zodra Jezus in hun midden afdaalt. Die vrees is op verschillende manieren te duiden. Misschien denkt de auteur aan de afdaling van Mozes na zijn ontmoeting met de Eeuwige in Exodus 34, waar de heerlijkheid die van Mozes afstraalde het volk vrees inboezemde. Maar het kan ook gaan om het voorgevoel dat nu een beslissende confrontatie zal volgen. Terwijl de leerlingen experimenteren, verschijnt opeens de meester. Hij betrapt een gezelschap in verlegenheid. In alle zinnen die hij vervolgens uitspreekt is de spanning te snijden, en tot het einde van de perikoop laat de auteur die spanning ongebroken. De woorden van Jezus klinken geïrriteerd, kortaf, bevelend, apodictisch. Als Jezus in vers 30 het verhaal met een zwijggebod afsluit, is de beklemming niet weggenomen. Het instandhouden van de verbondenheid tussen hemel en aarde lijkt een bovenmenselijke inspanning te kosten.
De kwade geest waarmee de jongen behept is, wordt beschreven als een bijzonder hardnekkig soort. Het zal niet gaan om een specifiek en lastig exemplaar, maar om de maximale tegenstelling tussen de bevrijdende heerlijkheid daarboven en de grondig onverloste misère beneden. Gekluisterd aan de aarde, overgeleverd aan water en vuur is de jongen, al vanaf het begin: verder kun je niet verwijderd zijn van het hemels tafereel op de berg.
De sleutelwoorden voor de ‘oplossing’ zijn geloof en gebed. Daarbij is ‘geloof’, pistos, in de eerste plaats verbondenheid. In het gesprek tussen Jezus en de vader raken twee verbondenheden elkaar: de vader laat zijn zoon niet los en brengt hem waar hij maar kan, en Jezus laat zijn verbondenheid met de Eeuwige niet los. Tussen die beiden vonkt het, ze schreeuwen meer tegen elkaar dan dat ze converseren: Hoe lang houd ik het met jullie uit? Breng hier! Help ons als u kunt! Wat nou, als u kunt? Kom mijn ongeloof te hulp!
Het is de wederkerigheid tussen die twee hartstochtelijke geloofsverhoudingen (de van Jezus met de Eeuwige en die van de vader met zijn gekwelde zoon) waardoor de verbinding tussen hemel en aarde werkzaam wordt. Geloof en gebed zijn de verbondenheid en de communicatie die de verticale ruimte van deze twee verhalen omspannen. Dat is geen soft verhaal over kosmische harmonie, maar een ruig verhaal over strijd en tweestrijd, over vasthouden tegen alle innerlijke en uiterlijke weerstand in.
De leerlingen horen achteraf, dat de geest in kwestie alleen door gebed bezworen kan worden. Vanuit de latere leerlingen gedacht betekent dat: je redt het niet als de Heer er niet zelf voor uit de hemel komt; het instandhouden van de weerbarstige verbinding met de hemel is belangrijker dan het beheersen van technieken en formules op aarde. Niet loslaten, de hemel niet en de aarde niet, de worsteling om de solidariteit volhouden. Het gebed van de vader is daar een indrukwekkend voorbeeld van: ‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’.
Er zijn nog meer aspecten van het verhaal die aandacht verdienen. De manier waarop driemaal het typische Marcus-woordje ‘terstond’ wordt ingezet, bijvoorbeeld. Of het feit dat Jezus de vermeende dode bij de hand grijpt: ook dat is iets wat Marcus vaker laat zien, dat Jezus aanraakt waar de religieuze regel luidt dat aanraking vermeden moet worden. In dit verhaal geeft hij met die aanraking de kracht van de Godsontmoeting bovenop de berg door aan de jongen die op de grond ligt.
Het verhaal gaat niet over demonen en hoe je die uitwerpt. Het gaat over de verbondenheid tussen onze miserabele condition humaine en de hemelse heerlijkheid van God, en hoe die verbondenheid door reikende handen van twee kanten bevochten wordt.
Piet van Veldhuizen