|
Genesis 32:2 – 33:4 Exegetische schets, verschenen in De Eerste Dag, jaargang 2006, nr 4. |
Dit is het verhaal waarin de naamgeving van Israël plaatsvindt. De taalkundige betekenis van die naam is allesbehalve een uitgemaakte zaak, maar binnen het verhaal betekent het zoiets als ‘godsstrijder’. En let op, de godsstrijder is niet degene die de hele wereld aankan, de superman. Het is de man die na al zijn wederwaardigheden voor de grote confrontatie staat met zijn eigen verleden, zijn eigen schaduw, met God en zichzelf. De nieuwe naam gaat gepaard met een nieuwe tred: de pootjelichter van vroeger loopt nu zelf mank. Hier strompelt het volk Israël zijn land en zijn geschiedenis binnen, als overwinnaar en als gezegend mens, maar tegelijk als het tegengestelde van de Griekse held of de moderne superster.
Twintig jaar zijn er verstreken sinds Jakob is weggetrokken. Het was destijds half een vlucht, half een gang naar het voorouderlijk stamgebied om een vrouw te vinden. Al die jaren van oponthoud leken tegen zijn zin te zijn, resultaat van bedrog en tegenwerking, totdat Jakob eindelijk weet te ontsnappen. Maar nu blijkt dat Jakob eigenlijk niet terug durft. Je krijgt de indruk dat hij nóg wel een paar jaartjes zou hebben bijgetekend als de streep tussen hem en Laban zojuist niet zo definitief was getrokken. Aan de Jabbok beleeft hij zijn eigen Getsémané avant la lettre.
Het is een verhaal vol close encounters of the other kind, ontmoetingen met geheimzinnige presenties die niet regelrecht te duiden zijn. Het begint met engelen op Jakob’s pad, die niets doen of zeggen en ook verder geen enkele rol spelen, behalve dat Jakob ze ziet en herkent als tekenen van Gods aanwezigheid. Ze herinneren aan de al even zwijgzame engelen op de Jakobsladder aan het begin van zijn omzwervingen. Even later komt Jakob in zijn gebed op de beloften terug die hij toen in zijn droom uit Gods mond hoorde. Wat hem destijds de moed gaf om de verte op te zoeken, moet hem nu de moed geven om naar huis terug te keren.
De plaats van handeling heet Machanaïm oftewel Kampen. Eerst wordt die naam verklaard aan de hand van de engelenlegers die Jakob ziet. Maar naderhand verdeelt hij zijn bezit in twee kampen, uit berekening, zodat hij het éne overhoudt als Esau zijn wraak op het andere botviert. Die twee duidingen samen staan voor de dubbelheid van het hele gebeuren, vol van bovenmenselijke presentie en kleinmenselijke berekening. Want dat laatste blijft er, ook na de grootse worsteling van Jakob-Israël. Gelukkig kijkt het verhaal er met milde humor naar. Als Jakob met angstige berekening allerlei geschenken vooruitstuurt en allerlei plichtplegingen in acht laat nemen, zal Esau uiteindelijk na een hartelijke omhelzing vragen: Wat moest die hele santekraam (machanè, kamp) voorstellen die ik tegenkwam? (33:8) En die vreselijke volgorde van voorkeur waarin Jakob zijn gezin opstelt, zodat Rachel en Jozef de meeste overlevingskansen hebben, vervalt gelukkig als Esau hen allemaal samenneemt in zijn belangstellende vraag: Wie zijn dat voor jou? (33:5) Niet zijn broer blijkt de grote vijand, maar het kwade geweten van Jakob zelf. Dat hij zijn strijd gestreden heeft, blijkt uit het feit dat hij zelf niet de achterste plaats inneemt, maar vóór zijn gezin uitgaat. Hij heeft aanvaard dat dit zijn dood kan worden. De onbevangen generositeit van zijn broer op het moment van de ontmoeting betekent dan ook een ongehoorde verandering van perspectief. Al met al is het een verhaal dat zich laat lezen als een spannend psychodrama, en dat erom vraagt om in honderd varianten als bibliodrama te worden uitgespeeld.
Van de vreemdeling met wie Jakob in de eenzaamheid van de nacht worstelt voordat hij de confrontatie met zijn broer aangaat, zijn veel verschillende duidingen in de omloop. Folklore-kenners wijzen op tradities over ontmoetingen met een rivierdemon die de grens van het land bewaakt. In de joodse traditie wordt de vreemdeling vaak gezien als de engel van Esau. Het verhaal zelf suggereert, zonder de figuur precies te duiden, dat Jakobs worsteling met hem staat voor zijn strijd met God en mensen. En het feit dat hij daarvoor afstand neemt van zijn gezin en have suggereert dat het gaat om zijn meest persoonlijke, innerlijke, eigen gevecht. De naamgeving tenslotte, waarbij de naamgever zelf uitdrukkelijk naamloos blijft, suggereert ook dat achter deze figuur de Eeuwige schuilgaat, die de ander ontraadselt zonder zijn eigen Geheim prijs te geven. Dat is ook wat Jakob zelf concludeert: Ik heb oog in oog gestaan met God (32:31).
Een boeiend gegeven is nog de kwestie van de heup. Commentaren leggen uit dat met de “holte van de heup” (kaf-jerech) de kom bedoeld is waarin het bovenbeen steekt, maar ik vraag me dat zeer af. De heupspier die volgens 32:33 in Israël niet gegeten zou worden, zou dan het malse deel van de achterbout zijn, en het is wel heel zeker dat een voorschrift van die strekking niet bestond. Daarom ligt het veel meer voor de hand om de holte van de heup te duiden als het kruis1: een slag in het kruis is een probaat middel om een gevecht te beëindigen en de ander hinkend heen te zenden. Maar het is ook, evenals de bijbelse duiding van de besnijdenis, een kanttekening bij de betekenis van viriliteit: niet de potentie van de man maakt zijn toekomst, maar de zegen van de Heer. Voor de stamvader van een volk dat in het Kanaän van de opgewonden stier Baäl komt wonen om ánders te zijn, is het wel heel passend om strompelend, met de handen op het kruis het land te betreden. En de ‘spier’ die in Israël niet gegeten wordt is dan het geslachtsdeel van het dier, dat elders geconsumeerd wordt als symbolische versterking van de eigen mannelijkheid.
Piet van Veldhuizen
1In Genesis 24 is met de ‘heup’ van Abraham, waarop zijn knecht de hand legt om te zweren dat hij Abrahams nakomelingschap zal veiligstellen, ook het geslachtsdeel bedoeld, of ‘de plek van de besnijdenis’ zoals oude joodse commentaren zeggen.