dr Piet van Veldhuizen
Johannes 2, 1-11
Het is verbazend dat we nog steeds niet uitgepreekt zijn over dat kleine verhaal, dat in het Grieks nog geen tweehonderd woorden telt en in het Nederlands maar nét iets meer. Ik ben vast niet de enige roostervolger die zichzelf ieder jaar de vrijheid geeft om de bruiloft van Kana nu maar eens over te slaan, maar die het uiteindelijk toch niet kan laten om het verhaal opnieuw ter hand te nemen. Het verhaal is bevat een complexe rijkdom aan symboliek. Daarbij is het met zoveel draden ingeweven in het stramien van het vierde evangelie, dat zich vanuit de tekst zelf een hele reeks verschillende invalshoeken aandient. Daarvan kun je er op Kana-zondag maar één het volle gewicht geven. Ik noem er hier een aantal, goed dus voor een aantal jaren Kana-prediking.
1. Je kunt het verhaal samenlezen met de tweede helft van het hoofdstuk, waar Jezus de verkopers uit de tempel verdrijft. Het lijkt erop dat Johannes dat verhaal opzettelijk helemaal naar voren heeft gehaald om met de bruiloft van Kana in contrast te staan. Je hebt dan een tweeluik waarin het gaat om de diepste en hoogste dingen van het leven: de bruiloftszaal en de tempel als plekken van ontmoeting, intimiteit, liefde, thuiskomen bij de ander. Maar verder is het één en al tegenstelling. In Galilea is er tekort maar Jezus brengt het feest terecht. In Jeruzalem is er van alles teveel en gooit Jezus (vlak voor Pesach) roet in het eten. Waarom gooit Jezus in Kana niet de watervaten om, maar in Jeruzalem wel de wisseltafels? Het reinigingswater wordt in dienst genomen en getransformeerd - met wisselgeld en offerduiven zit dat er blijkbaar niet in. Na beide taferelen is er sprake van dat zijn leerlingen in Jezus geloofden, maar terwijl dat geloof in Kana ter plekke opbloeit, zal in Jeruzalem het kwartje pas na de opstanding vallen. Zo omspannen beide scènes samen al het complete verhaal van Jezus.
2. Je zou het verhaal ook kunnen lezen vanuit de metafoor van de bruiloft. Dat het feest een overdrachtelijke betekenis heeft, is wel duidelijk omdat het bruidspaar nauwelijks in het verhaal voorkomt. Alleen de bruidegom wordt tegen het einde even genoemd, maar hij komt niet in beeld of aan het woord. Intussen gebruikt Johannes in de eerste hoofdstukken de huwelijksmetafoor wel vaker. In 3,29 typeert de Doper Jezus als de bruidegom en zichzelf als diens vriend, die hem zijn bruid (het volk dat hem navolgt) van harte gunt. In Johannes 4 herinnert het tafereel van Jezus en de Samaritaanse bij de waterput aan de >verlovingstaferelen= van Izaäk en Rebekka, Jacob en Rachel, Mozes en Zippora. Jezus lijkt zich daar als de >ware Jacob= te presenteren aan de vrouw die, naar eigen zeggen, geen man heeft. Door de profeten wordt huwelijksbeeldspraak dikwijls gebruikt om de relatie van God en zijn volk ter sprake te brengen: het is een beeld dat ruimte biedt aan liefde, trouw en ontrouw, crisis, (in)compatibiliteit, weglopen en terugkomen, woede en verlangen, waarbij er door alles heen het besef is dat deze twee voor elkaar bestemd zijn. Ook de profetenlezing voor deze zondag, Jesaja 62,1-5, maakt uitbundig gebruik van de huwelijksmetafoor.
3. Maar je kunt ook vertrekken vanuit de symboliek van >water en geest= die een draad door de eerste hoofdstukken dit evangelie vormt. In het eerste hoofdstuk legt de Doper de basis voor het begrippenpaar met zijn getuigenis over Jezus: ik doop met water, hij zal met geest dopen.
In Kana is overvloedig water voor de reiniging aanwezig, symbool van de wet als wachter aan de poort. Maar binnen is er geen wijn, symbool van de geest, de innerlijke vervulling en de vreugde. Opvallend is dat beide door Jezus niet tegen elkaar uitgespeeld worden: het één komt in dienst van het ander te staan.
In het gesprek met Nikodemus zegt Jezus dat een mens geboren moet worden uit water en geest, waarna hij doorgaat op de geest. Wat bedoelde hij dan met dat water? Duidde dat op de doop, of op de moederschoot die hij daarvoor noemde: dat je zowel uit water (van beneden, uit de moederschoot) als uit geest (van boven, uit God) geboren moet worden? Na dat gesprek komt het tafereel met de Doper die in een bepaalde streek doopt omdat daar véél water is (3,23), terwijl bij de dooppraktijk van Jezus (4,1-2) het water helemaal niet genoemd wordt: hij zal immers niet met water, maar met geest dopen?
Bij de waterput in Samaria staat tegenover de overvloedige waterbron van de patriarchale traditie (4,12) het ándere water dat Jezus geeft, en dat gerealiseerd blijkt te worden in aanbidding in geest en waarheid. En in Betzata of Betesda is een enorm geneeskrachtig bad, vijf zuilengangen wijd B maar in plaats van de verlamde man te helpen om op tijd te water te gaan, geneest Jezus hem met een enkel woord. Tenslotte is er dan het tafereel op de laatste dag van Loofhutten, waar Jezus gaat staan op de plek waar volgens de profetie ooit de tempelrivier zal ontspringen, en waar priesters op het feest kruiken water uit Siloam plachten uit te gieten. Hij spreekt uit dat levend water zal ontspringen in ieder die in hem gelooft, en Johannes tekent aan dat hij hier spreekt over de gave van de Geest. Water: de traditie en het aardse leven als medium, en de geest als hemelse gave die het vervult en levend maakt.
4. Tenslotte zou je ook de draad kunnen volgen van Jezus en zijn gesprekspartners, en nagaan hoe Jezus omgaat met zijn eerste leerlingen, Maria, Nikodemus, de Samaritaanse en zo verder. Op de bruiloft in Kana lijkt Jezus uitdrukkelijk uit de moeder-kind-relatie weg te stappen. Hij verbreekt de natuurlijke continuïteit van het water, maar er wordt tegelijk een nieuwe relatie gesticht, die van de geest. Maria lijkt daar onmiddellijk haar plaats in te vinden als ze de dienaren opdraagt om te doen wat Jezus gaat zeggen. Is ze nu gedegradeerd van moeder tot leerling? Of is ze gepromoveerd van bloedverwant tot geestverwant?