CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Genesis 12:1-8 en Lucas 19:1-10

 

Marcus en Matteüs vertellen allebei het verhaal over Jezus die vruchten zoekt in een vijgenboom die hij op weg naar Jeruzalem passeert. Hij vindt aan die boom enkel bladeren, want, zo lezen we in Marcus 11, het was geen vijgentijd. Jezus ontsteekt in woede en vervloekt de boom. Dat is de opmaat voor de woede waarmee hij even later op het tempelplein tegen de verkopers tekeer gaat. Zoals hij vruchten zoekt aan de boom, zo zoekt Jezus gerechtigheid en trouw in de tempel, maar wat hij aantreft ervaart hij, met een beeld uit Jeremia, als een rovershol.

Lucas vertelt dat verhaal niet, maar hij zet wél een vijgenboom langs de route die jezus naar Jeruzalem aflegt. Als Jezus in deze versie bij de boom blijft staan, zit er een klein mannetje in, maar als je maar vijgen zoekt is hij opeens zo klein niet meer: Jezus plukt een vrucht die er wezen mag.

En als Jezus ook hier op zoek is naar gerechtigheid als vrucht, heeft hij de goede te pakken. Want dat is wat de Aramese naam Zakkai, Zacheüs, betekent: puur, zuiver, onschuldig, rechtschapen. De naam kwam vaker voor, want de grondlegger van het >nieuwe= rabbijnse jodendom na de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 heette Jochanan ben Zakkai, Johannes Zacheüszoon. Of het Griekstalige publiek van Lucas het heeft opgepikt is zeer de vraag, maar het is een prachtige grap dat zo=n min mannetje met zo=n vals beroep deze naam draagt, en dan ook nog in de vijgenboom hangt als een rijpe vrucht van gerechtigheid.

Over het beroep van tolpachter weten we niet alles met zekerheid. Waarschijnlijk was de oppertollenaar degene die de belasting op transport en handel voor een vast jaarbedrag van de Romeinse gouverneur pachtte, en dan zelf maar moest zien hoe hij dat bedrag met winst terugkreeg door tol te heffen. Hij had tolgaarders onder zich die het meeste werk moesten opknappen en die er ook weer van moesten leven. Voor zijn eigen bestaanszekerheid en voor de instandhouding van het systeem van inning zal hij veel meer hebben moeten heffen dan hij zelf moest afdragen. Hij droeg dus bij aan de verzwaring van de lasten van de bezetting en was een belangrijke schakel in het systeem van onderdrukking. Toch zit de troebelheid in dit verhaal niet bij de tolpachter, maar bij de mopperende menigte. Hij doet zijn naam eer aan en is volstrekt helder. Hij is op deze dag een zoon van Abraham.

Daar ligt de verbinding met de Genesis-lezing. Abraham is degene die van zijn plek komt, die zich uit zijn zekerheden vandaan laat roepen om een weg met de Eeuwige te gaan. Zacheüs realiseert dat Abrahamitische ideaal op die dag: >vandaag is aan dit huis heil geschiedt, omdat ook dit een zoon van Abraham is= (9). Zacheüs is één van die stenen waaruit God volgens de Doper kinderen van Abraham kan maken (Lucas 3:8). Kind van Abraham, dat is geen vaststelling van afkomst maar een kwalificatie.

Van beiden, Abraham en Zacheüs, is overigens onduidelijk uit wat voor leven ze precies wegtrekken. Over Abraham worden prachtige verhalen verteld, zoals de midrasj die ook in de Koran terecht is gekomen, over het afgodenwinkeltje van zijn vader waarop hij moest passen. Dat geeft mij de vrijheid om over de groezelige praktijken van de tolgaarder ook wat te fantaseren. Maar in de teksten gaat het er niet om hoe erg het voorheen was. Het gaat veelmeer om de stap die genomen wordt, om de beweging, het opstaan.

Op dat punt geeft de tekst van Lucas een heel scherp contrast aan tussen het oordeel van de menigte buitenstaanders en de werkelijkheid binnenshuis. Lucas heeft die twee werkwoorden tegen elkaar aangezet: katalusai en statheis. De omstanders denken dat ze daarbinnen lekker onderuitzakken. Katalusai, uitspannen, chillen, alsof er niets aan de hand is. Wat ze niet kunnen zien, is dat op dat moment de tolgaarder gaat staan om zijn verklaring van ommekeer af te leggen. Jezus is bij een zondig man binnengegaan, dat hebben ze goed gezien, maar ze hebben geen idee waartoe dat leiden kan.

Overigens waren Abraham en Zacheüs allebei al onderweg toen ze werden geroepen. Abraham zat niet breeduit in Ur, en Zacheüs zat niet zijn geld te tellen in zijn villa. Abrahams vader was al uit de oerstad Ur weggetrokken, niemand weet waarom, maar het verhaal suggereert dat het zwerven dan voorgoed begonnen is. Zacheüs was zijn huis al uitgekomen, hij wilde Jezus zien. Hij rende vooruit om die boom te beklimmen, veel rust zat er al niet meer in. >Het verlorene=, dat wat Jezus zoekt, is misschien ook wel een kwalificatie. De man onderscheidt zich in zijn zoekende verloren-zijn van de menigte. Hij staat niet langs de kant om de gebeurtenissen van commentaar te voorzien.

Lucas laat zijn lezers zowel binnenshuis de verklaring van de tolgaarder meebeleven, als buitenshuis het oordeel van de menigte. We zijn in de kerk gewend om het verhaal met Zacheüs mee te ervaren, maar het is de vraag of de gemeente niet veel vaker in de positie van de mopperende menigte verkeert. Hoeveel welwillende ruimte is er in onze kerkgemeenschap voor iemand die zich gehaat heeft gemaakt, maar die ten goede verandert? Maken wij slechte verhoudingen niet vaak duurzaam doordat we tezeer gehecht zijn aan de bestaande indeling in goed en kwaad? De menigte gunt Zacheüs zijn eenzaamheid, zijn verdiende loon; Jezus gunt hem een nieuw leven waar allen wel bij zullen varen. Want als je narekent wat Zacheüs belooft om zijn omkeer gestalte te geven, kom je tot de slotsom dat ook deze zoon van Abraham geroepen wordt met het oog op de velen die in zijn zegen zullen delen.

Als het in de menigte niet had gegonsd van het gemopper, hadden de mensen misschien kunnen horen wat de tolgaarder daarbinnen tegenover Jezus verklaarde. Dan hadden ze, met een variatie op Jezus= kreet in de tempel, kunnen uitroepen: Dit huis was een rovershol, maar gij hebt het tot een bedehuis gemaakt.

 

Piet van Veldhuizen