dr Piet van Veldhuizen
Jacobus 4
Hoofdstuk 4 begint met een indrukwekkend inzicht, dat misschien wel van fundamenteel belang is om te begrijpen waarover de auteur zich zo opwindt. Alle strijd en gekissebis in de gemeente voert de auteur terug op de innerlijke onvrede en gespletenheid van de gemeenteleden. Dat je innerlijk niet één bent, dat je heelheid door begeerte en ambities uiteengetrokken wordt, leidt tot strijd met anderen. Je eigen innerlijke strijd speel je onwillekeurig uit in je strijd met anderen. Pas als je innerlijk tot concentratie en stilte komt, kun je in vrede leven en vrede geven aan je omgeving. En wat daarmee samenhangt: pas als je de verlanglijstjes hebt weggedaan die opkomen in een hart dat aan alle kanten aan zich laat trekken, kun je ook >effectief= bidden.
In dat kader gebruikt de auteur die scherpe tegenstelling tussen God en de >wereld=, waarbij dat laatste begrip een uitermate negatieve lading heeft. Het is zo ongeveer wat de boeddhisten samsara noemen, de veelheid aan impulsen en illusies die jou geest misleiden en versnipperen. Die negatieve typering van de wereld is erg lastig voor mensen die, zoals ikzelf, beklemmende herinneringen hebben aan een benepen streng-protestantse wereldmijding. Je zou niet graag in diezelfde toon terugvallen waarin je ooit de hele boze buitenwereld verdacht hoorde maken. Maar juist daarom is het van belang om te zien dat >wereld= bij Jacobus niet tegenover >kerk= staat, maar tegenover God. En mensen blijken ook in de kerk onverbeterlijk gespleten te zijn, dipsychoi (8). De auteur noemt ze daarom echtbrekers jegens God, die zich zijn jaloersheid op de hals halen: Hij heeft zijn geest in ons gehuisvest (6) en wij zijn daarmee weggelopen om ons voor al het andere te interesseren. Een treffend beeld: God verlangt terug naar de Geest, de eenheid en kracht die Hij in ons heeft achtergelaten, maar het lukt Hem niet meer om onze volle aandacht terug te krijgen. Want we laten ons door van alles en nog wat in beslag nemen, met allerlei stress en conflict als gevolg. Op die manier is de tirade van Jacobus uitermate actueel.
Blijkbaar heeft hij een publiek dat in de ban is van een optimistisch vooruitgangsdenken, want hij roept zijn lezers op om nu maar eens een potje te gaan zitten janken over alle chaos die ze al doende over zich heen hebben gehaald. Dat is weer zo lastig: waar ons traditionele geloof vaak al een depressieve inslag had, slaat zo=n oproep tot droefenis de plank mis B daar moet je soms eerder oproepen tot een dansfeest dan tot geweeklaag. Maar als mensen er op los consumeren, tegen de klippen en tegen elkaar op, in de ban van alle beeldvorming waarmee ze door het leven heen gemasseerd worden, is er alle reden om ze op deze manier tot bezinning te roepen. Niet elk woord (ook niet elk woord Gods) is op elk moment en voor ieder mens op z=n plaats.
Over woorden gesproken: door heel de brief heen heeft de auteur aandacht voor de rampen die we met onze mond aanrichten. Ons spreken is bij uitstek de poort waardoor ons innerlijke gebrek aan vrede en eenheid wordt overgedragen op onze omgeving. In bijna elke zin van dit hoofdstuk zie je dat terug: het gaat over onderlinge ruzie, kwaadspreken en oordelen, en over lichtzinnig spreken over wat we denken te gaan doen. Steeds is de spraak een spiegel van de geest, maar ook een handvat waarmee we onze geestesgesteldheid ter hand kunnen nemen. Jacobus wil niet zomaar dat mensen zich anders gaan uiten: het in toom houden van de tong hangt altijd samen met de dressuur van de geest.
Dat blijkt ook uit de manier waarop het kwaadspreken aan de orde wordt gesteld. Het is op het eerste gezicht een raadselachtige redenering: wie oordeelt over zijn naaste, oordeelt over de wet en maakt op die manier zichzelf tot rechter. Eerder in de brief is de Tora samengevat in de >koninklijke wet= van de naastenliefde (2,8). Wie door kwaadsprekerij of oordeel die koninklijke regel breekt, stelt zich boven de wet en maakt zo zichzelf tot rechter. Of je kunt ook zeggen: wie zegt de Tora te bewaren en kwaadspreekt over zijn naaste, suggereert dat de Tora dat toelaat en stelt zo de wet van God in een kwaad daglicht. We kennen dat uit de kerkelijke praktijk: buitenstaanders kunnen soms geen fiducie hebben in het christelijk geloof, omdat ze horen hoe onbarmhartig gelovigen spreken over elkaar en over anderen. Dan schep je door kwaad te spreken over je naaste een negatief oordeel over het geloof, of zoals Jacobus het zegt: dan spreek je impliciet kwaad over de Tora.
Het hoofdstuk sluit af met het roemruchte >voorbehoud van Jakobus=, dat in onze traditie ooit leidde tot een plichtmatig gebruik van de uitdrukking Deo Volente B een sterk staaltje van protestants kerklatijn. In de tekst valt me op dat de auteur niet zomaar een spreekregel invoert. Hij stelt een excessieve vorm van pretentie en zelfvertrouwen aan de kaak. Het gaat om mensen die hun eigen lucratieve zaakjes behartigen en daarbij doen alsof ze tot in de verre toekomst alles in de hand hebben. Alsof hun niets kan overkomen, en alsof niets anders hun leven regeert dan de vaart van hun eigen voornemens. Jacobus nodigt zulke mensen uit, niet om in elke zin een deeveetje in te lassen, maar om God in hun levensperspectief te betrekken, en dus om te beseffen dat niet de hele wereld zich gewillig wentelt om hun zelfgenoegzame ik.
De allerlaatste zin is een uiterst waardevolle doordenker. Zonde is, dat je weet wat het goede is, maar het niet doet. Het goede, dat is in het licht van het voorgaande: zoeken naar innerlijke vrede, naar vriendschap met God, tot heil van alles en iedereen om je heen. Maar je verkeert in de ban van alles wat je óók nog wilt en kunt, je geest verscheurt zich in duizend rusteloze snippers, en je stelt de keuze uit om je nu eindelijk te gaan beperken en concentreren op de Ene. Dát is dus zonde. Oei...
Piet van Veldhuizen