dr Piet van Veldhuizen
Jacobus 5
De brief van Jacobus heeft een raar einde. Inleidingen wijzen er steevast op dat het geschrift geen echte brief is omdat het niet als een brief wordt afgesloten. Maar als het iets anders is, een traktaatje of een preek, blijft het einde evengoed merkwaardig. Alsof de inkt of het papier op was. Maar het past wel bij de abrupte, ongepolijste stijl van de brief.
De laatste zin rijmt in zekere zin op de afsluitende zin van hoofdstuk 4. Dat was een losse zin die zei: zonde is, als je het goede weet en het niet doet. Daar kan iedere lezer het mee doen, individueel. Maar je bent een gemeenschap, en het is niet de bedoeling dat ieder lid naar eenzame volmaaktheid streeft. Die ijzige mogelijkheid bestaat: dat je geniet van het verschil tussen je eigen geoefende zielerust en andermans dwalende, chaotische bestaan. De auteur noemde in hoofdstuk 4 al het geruzie tussen gemeenteleden en het kwaadspreken en oordelen over elkaar. Dat het daar om kernzaken ging, blijkt uit de slotzin: je kunt een berg zonde uit de wereld helpen door elkaar bij de les te houden. Zie je dat een ander zondigt (en volgens 4,17 is dat: de weg weten maar hem niet gaan), laat hem of haar dan niet begaan zodat jouw heiligheid er mooi tegen afsteekt, maar neem elkaar op sleeptouw. De >menigte= van zonden die je daarmee bedekt, dat zijn niet alleen de zonden van die ander, daar zitten er vast ook genoeg van jouzelf bij.
Hoofdstuk 5 lijkt een vergaarbak van thema=s, maar de gedachte dat de tijd van de wereld ten einde loopt en het laatste oordeel nabij is, speelt een belangrijke rol. Omdat de auteur waarschijnlijk in de veronderstelling leefde, dat inderdaad de wereldgeschiedenis in haar allerlaatste dagen verkeerde, kun je zijn woorden kwalificeren als een vrome misvatting die typisch was voor de eerste generaties christenen. Maar voor het christelijk geloof is het fundamenteel dat we op een existentieel niveau altijd >in het laatste der dagen= leven, dichtbij het oordeel dat aan het licht brengt wie we ten diepste zijn en wat ons werkelijk drijft. Dat besef helpt ons om ons te concentreren op wat van wezenlijk belang is, om niet helemaal op te gaan in verstrooiing, om niet oeverloos weg te dwalen op een zee van mogelijkheden.
De auteur van de brief moet met rijke mensen geen goede ervaringen hebben gehad. Uit de bewoordingen blijkt dat hij een heel bepaald soort rijken voor ogen heeft: grondbezitters die anderen laten werken zonder hun rechtmatige loon uit te keren. Uitbuiters, winstmakers, mensen die zó op bezit zinnen dat ze blind zijn, zowel voor het belang van hun naaste als voor de bedoeling van hun eigen leven. Ik word wel benieuwd naar de samenstelling van de aangesproken gemeente, want deze onbarmhartige grondbezitters behoren blijkbaar tot de lezerskring van de brief. Het klinkt bepaald macaber als ze worden getypeerd als mensen die hun harten vetmesten op de dag van de slacht, maar het is niet gemakkelijk te bepalen wat de auteur daarmee precies voor ogen heeft. Is het een sarcastisch beeld van mensen die zichzelf klaarstomen voor het vernietigende oordeel van God? Of wijst het beeld erop dat ze hun hart, het centrum van hun wezen, van zichzelf vervreemden en log en vet maken, en zo zichzelf mét dat ongevoelige hart aan de ondergang prijsgeven? In ieder geval suggereert de hartgrondigheid van de uitspraak dat de auteur het heeft over excessief sociaal onrecht dat niet ergens in de boze buitenwereld plaatsvindt, maar binnen de kring tot wie hij zich richt.
Maar met de volgende zin, vers 6, draait hij bij zijn lezers de duimschroeven pas echt aan. Want dat ze de rechtvaardige hebben berecht en omgebracht terwijl hij zich niet verzette, dat móét wel een verwijzing naar Jezus zijn. De slachtoffers van het gedrag van gemeenteleden worden vergeleken met de lijdende knecht Gods. Het doet me denken aan de heisa die telkens weer ontstaat als gedrag van mensen nu publiekelijk vergeleken wordt met gedrag in oorlogstijd. De vergelijking die Jacobus hier maakt doet daar niet voor onder. Wie zichzelf comfort verschaft door een ander uit te buiten, kruisigt de Heer. Misschien is het nuttig om de gemeente aan de hand van deze woorden duidelijk te maken, hoe mild en gematigd de verklaring van Accra is.
Met de weerloosheid van de rechtvaardige maakt Jacobus de overstap van zijn aanklacht jegens de rijken naar zijn pleidooi voor geduld als levenshouding. Het gaat om geduld in alle toonaarden. Boerengeduld, dat weet dat het zaad zijn tijd nodig heeft om zich in het verborgene te ontwikkelen (7). Geduld met elkaar, om niet over elkaar heen te vallen en het elkaar niet moeilijker te maken dan het vaak al is (9). Jobsgeduld, om vast te houden aan de barmhartigheid van God, ook al spreken alle omstandigheden die tegen (11). Misschien kunnen ook de schijnbaar losse aanwijzingen die dan volgen, gelezen worden in het licht van een levenshouding van geduld, standvastigheid en gelijkmoedigheid. Het gaat opnieuw, zoals steeds in deze brief, over ons spreken. Terugkijkend kunnen we concluderen dat alle spreekregels die Jacobus geeft, een geduldig innerlijk weerspiegelen. In de fout gaan mensen steeds weer als ze ongeduldig en geďrriteerd zijn. Daarom: zweert niet (12). Bezegel je woorden niet in hartgrondig ongeduld met woorden die te groot voor je zijn, maar doe gewoon je woord gestand. Bidden en zingen, dat zijn de spreekregels voor droefheid en vreugde. In plaats van vloeken en pochen, klagen en de schaterlach van de overmoedigen lachen. Ook het bidden bij de zieken zou in het teken van het geduld kunnen staan, zéker als zojuist de naam van Job is gevallen. Het is geen gehocuspocus aan het ziekbed, maar juist het bescheiden alternatief voor dwingende bezweringen en wanhopige acties. Het lijkt ook hier meer te gaan om een grondhouding van gelovig geduld dan om een religieuze genezingstechniek. Jacobus waarschuwt in heel zijn brief tegen strijd en streven, hartstocht en begeerte B het gebed is daartegenover een oefening in innerlijke vrede. Boeiend, dat een brief die het onrecht zo fel aanklaagt en die zozeer pleit voor daden als blijk van geloof, toch eerder in het teken van geduld dan van activisme staat.
Piet van Veldhuizen