dr Piet van Veldhuizen
2 Koningen 17 en Lucas 17,11-19
In 2 Koningen 17 wordt de definitieve ondergang van het noordelijke koninkrijk Israël of Efraïm beschreven. Koning Hosea is schatplichtig aan de Assyriërs in het noordoosten, maar probeert zich intussen te verbinden met de Egyptenaren in het zuidwesten. Dat behoort in het kader van de profetische geschiedschrijving tot de dingen die kwaad zijn in de ogen van de Eeuwige. Israël ligt als een kwetsbaar landje op de hoofdroute waarover karavanen trekken en legers marcheren, tussen de twee grote delta-beschavingen van Mesopotamië en Egypte. Dat leidt begrijpelijkerwijs tot politieke wispelturigheid, terwijl de profetische traditie vraagt om gelovige standvastigheid. Als de koning van Assur ontdekt dat Hosea steun zoekt aan de overkant, besluit hij om de kleine staat rondom de stad Samaria te ontmantelen en in te lijven. Een deel van de bevolking wordt weggevoerd, en via de grote deportatie-caroussel komen daarvoor allerlei andere etnische groepen in de plaats.
Het verhaal is niet helemaal helder. Zoals de tekst loopt, lijkt het te zeggen dat eerst de koning gevangen wordt gezet, en dat daarna het land wordt bezet en Samaria na een beleg van drie jaar wordt ingenomen. Er wordt niet verteld waar de Assyriërs koning Hosea dan zouden hebben gearresteerd, en wie gedurende die drie jaren de belegerde stad leidde. Als de koning al die jaren in Assur gevangen zat, waarom worden die jaren dan als zijn regeringsjaren geteld?
Ik zie deze onduidelijkheid graag als een signaal van het feit dat de bijbelse auteurs hier ingrijpend met hun historische bronnen in de weer zijn geweest. Want we hebben hier te maken met een allesbehalve onschuldig stuk geschiedschrijving. Een belangrijk doel van deze lange passage is, te schetsen hoe er een nieuw mengvolk ontstaat, namelijk dat van de Samaritanen. Het verhaal van 2 Koningen 17 verschilt als dag en nacht van het ontstaansverhaal dat de Samaritanen zelf vertellen. Beide verhalen zijn uitermate tendentieus. Als de auteurs van 2 Koningen 17 hier werkelijk pretenderen het ontstaan van de Samaritanen te beschrijven, is er in het licht van onze huidige normen sprake van ronduit kwaadaardige geschiedschrijving, waarbij een zustervolk gedefameerd wordt door het moedwillig af te schilderen als een etnisch en religieus mengelmoesje. Voor het jodendom in het nieuwtestamentische tijdvak was 2 Koningen 17 hét verklarende verhaal over de Samaritanen. Terwijl de Samaritanen zelf zich als zuivere afstammelingen van Jozef en Efraïm zien, met een levitische priesterschap en levend in trouw aan de Tora, ziet het joodse verhaal hen als een méér dan halfheidens volk met een verwrongen Godsverering. Een probleem voor de joden is dat de Tora nergens over Jeruzalem spreekt terwijl Sichem, de heilige plaats van de Samaritanen, in de Tora een prominente rol vervult: daar bouwden zowel Abraham als Jacob bij hun vestiging in het land hun eerste altaar, en Jozef kreeg Sichem als bijzonder erfdeel en werd er begraven, en Mozes bepaalt dat dáár de eerste plechtige samenkomst van het volk zal zijn als ze het land binnentrekken (Deut. 27). Tegenover al die gegevens werkt 2 Koningen 17 als een kolossaal ad personam-argument dat de Samaritanen als nakomelingen van Abraham, Isaak en Jacob diskwalificeert.
Het is goed om te weten dat het in Jezus= dagen in de praktijk doorgaans niet zo werkte. Als het om de plaats van aanbidding ging en als joden opgingen naar Jeruzalem, stonden de verhoudingen op scherp, maar verder leefden de twee bevolkingsgroepen als zustervolken samen. De Misjna geeft diverse aanwijzingen waaruit blijkt dat joden en Samaritanen samen gebeden uitspraken, contracten opstelden, dat hun vrouwen zich reinigden in elkaars mikwe=s, en dat graan voor de tempelbroden kon worden betrokken van Samaritaanse boeren. Niets wijst erop dat joden het Samaritaanse land meden als ze reisden tussen Galilea en Judea, zoals mij vroeger werd verteld. Het kan hoogstens zo zijn geweest dat pelgrims de Samaritaanse dorpen ontweken omdat ze er soms geen gastvrijheid ontvingen als duidelijk was dat ze in Jeruzalem gingen bidden B zoals Jezus overkwam volgens Lucas 9,53. De Samaritanen hadden wel enige reden om oud zeer te voelen: in het jaar 107 v.Chr. hadden de Judeeërs een veldtocht tegen de Samaritanen ondernomen, waarbij ze Sichem niet alleen verwoestten, maar de stad ook met een metersdikke laag puin bedekten om haar voor altijd onbewoonbaar te maken. De verbetenheid in het Samaritaans-joodse geschil zat hem, voorzover we kunnen zien, vooral aan joodse zijde.
Joden en Samaritanen kwamen elkaar in de 1e eeuw overigens niet alleen tegen in het land Israël. In steden als Alexandrië, Rome en Efese waren naast joodse ook Samaritaanse gemeenschappen te vinden. Enkele eeuwen eerder stelt de Israëlitische gemeenschap in Egypte per brief nog de onbevangen vraag waarheen de tempelgaven moeten worden afgedragen: naar Jeruzalem, naar de tempel bij Sichem op de Gerizim, of naar beide.
Lucas neemt het niet op voor de Samaritanen door, zoals ik hierboven heb gedaan, te zeggen dat het verhaal van 2 Koningen 17 niet klopt. In Lucas-Handelingen fungeren de Samaritanen als een tussenvolk tussen joden en heidenen. De missionering van Samaria in Handelingen 8 is een beslissende stap in de gang naar de volkerenwereld. In Lucas 17 noemt Jezus de Samaritaan niet een broeder uit de tien stammen, maar een vreemdeling. Lucas maakt gebruik van het joodse perspectief, misschien wel omdat hij voetstoots aanneemt dat het gewoon zo is. Alleen B die vreemdeling wordt wel voorganger, precies zoals die andere Samaritaan in Lucas 10. Tien mensen worden rein, maar deze éne wordt verlost. De andere negen lopen door: toen ze bij de priesters langsgingen was Jezus alweer een gepasseerd station. Deze éne keert om naar degene die hen met een reinigende blik aangekeken heeft, om stil te staan bij wat hem overkomen is. Hoewel boze tongen zouden kunnen beweren dat hij daar in Samaria (vers 11) nu eenmaal minder ver hoefde lopen naar zijn eigen Samaritaanse priesters, en daarom als eerste terug was...
Piet van Veldhuizen