dr Piet van Veldhuizen
Kerstmorgen
Jesaja 52,7-10, Psalm 98, Hebreeën 1,1-12 en Johannes 1,1-18
De gezongen psalm 98 als fenomeen verbeeldt wel heel treffend de merkwaardige status van het kerstfeest. Daverend klinkt het >Zingt een nieuw lied voor God de Here= als intochtslied, maar waag het in de meeste kerken niet om écht een nieuw lied te zingen met kerst. Nostalgisch en huiselijk moet het zijn, bekende melodieën en vertrouwde woorden. De tekst van psalm 98 bezingt dat het oude en vertrouwde wordt opengebroken door de stralende intocht van God die alles recht komt zetten. Misschien is het de moeite waard om de mensen eerst te vragen of dát is waar ze naar verlangen. Bij een Kerstkind dat vooralsnog monddood en ingebakerd op een achterafje ligt, voelen velen zich wellicht toch veiliger dan bij de grote intocht van de Eeuwige. De vraag van Kerstmorgen zal zijn of die twee voorstellingswerelden bij elkaar zijn te brengen. Daarvoor is het misschien nuttig om Psalm 98 niet op de automatische piloot te zingen, maar echt nieuwe woorden en wijzen te zoeken. Als we dat naar de vorm niet willen, moeten we ons ernstig afvragen of we het dan naar de inhoud wél willen. Zoals het meestal gaat, lijken we met Kerst te vieren we dat God zich nederig aanpast aan onze smaak en wensen, in plaats van dat wij ons openen naar een nieuwe orde van God.
Jesaja 52 sluit sterk aan bij de teneur van psalm 98. Het meest sprekende beeld, ook het meest contrasterend met het kerstverhaal, is dat van Gods blote arm in vers 10. Er wordt daar een mouw opgestroopt ten overstaan van alle volkeren, en dan zwaait er wat. Geen wipneusje tussen de windsels, maar de spierballen van de Eeuwige in een dreigend gebaar: nu is het uit met alle onrecht en onderdrukking. Wil je dat lezen, dan moet je de Kerstboodschap daar ook naar kleuren. Je kunt natuurlijk zeggen dat de Eeuwige heel ánders blijkt te komen dan Jesaja en de psalmdichter het zich hadden voorgesteld. Maar ergens zal moeten blijken dat die andere komst niet minder ingrijpend is en niet minder kritisch staat ten opzichte van heersende machten en hun onrecht. Laat Kerst niet betekenen dat het wel meevalt met Gods komst en met zijn recht...
Hebreeën 1 en Johannes 1 hebben een bepaalde plechtige retoriek, en ook een aantal kernbegrippen met elkaar gemeen. Het zijn introïtus-teksten die het grote Christusgebeuren waarvan beide geschriften getuigenis willen afleggen, als een nieuw feit poneren maar het wél in het licht plaatsen van wat er van den beginne was: de goddelijke kwaliteit die de wereld voortbracht, manifesteert zich nu middenin de schepping. Prachtige teksten ter introductie van het grote drama van een nieuw aanwezig-worden van God in zijn schepping.
Alleen B beide teksten zijn niet voor ons Kerstfeest gecomponeerd. De auteurs van deze geschriften hebben bij de verschijnende Christusgestalte geen kindje in de stal voor ogen, maar de mens Jezus met zijn prediking en tekenen, zijn leven en lijden, zijn oproep tot omkeer en navolging, zijn verschijnen door de dood heen. Je moet je dus goed realiseren wat je doet als je de woorden van Johannes en Hebreeën laat klinken temidden van onze kerst-attributen.
Het zou weleens kunnen zijn dat deze twee grote lofzangen beter passen bij de midwinter-aspecten van het Kerstfeest dan bij de kindje-Jezus-aspecten. Licht van God in de duisternis van de wereld, met de kritische vraag van Johannes of we met al ons onrecht niet veel liever in de wereldschemer blijven zitten dan dat we ons door Gods aanwezigheid laten omstralen. We zeggen dat we naar licht snakken, we zijn opgelucht dat de dagen weer gaan lengen, maar hoeveel licht kunnen we aan? We zijn mensen van de schemer, en Johannes bepaalt ons erbij dat we de keus moeten maken: voor het goddelijk licht dat ons pijnlijk transparant maakt, of voor het aardse duister waarin we zullen aanrommelen totdat het ons voorgoed opslokt.
Hebreeën 1 vormt een soort Psalmencantate rondom de Zoon van de Eeuwige. De mededeling die in alle citaten doorklinkt is dat Gods scheppingskracht in eigen persoon onder ons verschenen is. Zoon, Woord, afglans, eeuwig evenbeeld van de Eeuwige. Het is op een onmeetbare haar na de Eeuwige zelf, lijkt de tekst te zingen. Want zingen blijft het, er wordt niets als theorie beweerd, er wordt geen constructie gemaakt om te vertellen hoe het zit met Jezus, laat staan met zijn geboorte. God is nooit zó onmiddellijk aanwezig geweest, heeft ons nooit zó tastbaar aangeraakt en aangesproken als in deze gestalte. Mensen zijn soms ontdaan van hun ervaringen met engelen of onder de indruk van verhalen daarover, maar die engelen zijn maar loopjongens van de hemel in vergelijking met deze éne, de Zoon.
Dat zegt de Hebreeënschrijver uitdrukkelijk vanuit het perspectief van Jezus= volle openbaring, tot en met zijn verschijnen in heerlijkheid door de doodsgrens heen. Al die grote woorden zijn bedoeld om te contrasteren met de dienstbare kwetsbaarheid van Jezus. Deze grote Overwinnaar is niet als een kampioen in ons midden geweest, niet als een Griekse held of als een Romeinse veldheer, een geweldenaar die ieder op de knieën dwong. Zijn goddelijkheid realiseerde zich in dienstbaarheid, niet in glansrijke offerfeesten maar in het eigen offer.
Alle bazuingeschal van Hebreeën 1 bereidt de intocht voor van een anti-heroïsche figuur. Maar dan wel, net als in Johannes 1, een >volwassene= B een mens die volgroeid is tot transparantie. Iemand die geworsteld heeft om een dunne huid te houden waar het innerlijk licht doorheen straalt, maar waardoorheen ook alle pijn van de wereld hem blijft raken. Dat is aangrijpend, het is Gods licht in ons midden, en het is datgene waarmee een heilvolle toekomst staat of valt. Maar er is, met alle respect voor de kinderen, geen greintje kinderlijke onschuld bij. Het is nauwelijks een verhaal voor een gezinsviering, laat staan voor een kinderfeestje.
Piet van Veldhuizen