dr Piet van Veldhuizen
Exodus 17,1-7, 1 Korintiërs 10,1-13, en Johannes 4,5-26.
Wat de drie lezingen van deze zondag met elkaar verbindt, is een midrasj, een oeroud joods verhaal naar aanleiding van de Tora-tekst over het water uit de rots. Het is bewaard gebleven in meerdere Middeleeuwse midrasj-handschriften en targums, maar blijkbaar kenden Paulus en Johannes het verhaal al.
Het gaat om het verhaal dat de watergevende rots in de woestijn met Israël meetrok. Volgens de oude joodse commentatoren was die wandelende waterput dezelfde die zich ook aan de aartsvaders vertoonde, de put in Haran waarbij Abrahams knecht Rebekka vond en waarbij Jacob later Rachel ontmoette. Diezelfde put vergezelde ook Abraham toen hij als vreemdeling in het beloofde land woonde, Mozes rustte bij dezelfde put in Midjan na zijn vlucht uit Egypte, en hij sloeg erop bij Massa en Meriva. De wandelende waterput is opgehouden mee te gaan op het moment dat Israël het beloofde land binnentrok, maar sommigen weten hem nog altijd aan te wijzen, een rots onder water in het meer van Galilea.
Volgens de overlevering heeft deze put nóg een bijzondere eigenschap: als een rechtvaardige er komt putten, komt het water haar of hem tegemoet. Het welt dan vanzelf op naar de rand van de put, zodat de rechtvaardigen niet zwoegend hoeven te putten. Het verhaal gaat dat Laban dáárom Jacob niet uit Paddan-Aram wilde laten weggaan, want dan zou er weer moeizaam geput moeten worden. Ook wordt verteld dat Abraham altijd op het water in de put lette als hij gasten kreeg: als het omhoog kwam, was het goed volk. Zodoende wist hij dat de drie mannen uit Genesis 18 gezanten van de Eeuwige waren.
Een midrasj over het lied bij de waterput uit Numeri 21,17-18 reikt nóg een belangrijk gegeven aan. Aan het eind van die korte poëtische bijbelpassage staat het zinnetje oemimmidbar mattana. In onze vertalingen wordt dat opgevat als een proza-zin ná het lied: ‘En vanuit de woestijn [trokken ze] naar Mattan’. Dat lijkt gezien het vervolg ook wel te kloppen, maar de midrasj gaaft een andere lezing die het zinnetje tot slotregel van het lied maakt: ‘Vanuit de woestijn een geschenk’. Het woord mattana, geschenk, wordt vervolgens in de joodse traditie één van de aanduidingen van de wandelende put met zelf-opwellend levenswater.
Het is de moeite waard om met deze gegevens in gedachten Johannes 4 opnieuw te lezen. Daar bevindt Jezus zich immers bij een put die aan de aartsvader Jacob wordt toegeschreven. Maar het water van de put komt noch de Samaritaanse, noch Jezus tegemoet. Er moet eindeloos gesjouwd en getakeld worden.
Naast die diepe put zegt Jezus: ‘als je weet had van het geschenk van God en degene die met je sprak, dan zou je hém om water hebben gevraagd’ (10). Die term ‘het geschenk van God’ (doorean tou theou) wordt door christelijke lezers dikwijls als een hinderlijke verbale tierelantijn ervaren. Maar het is een directe verwijzing naar de mattana uit Numeri 21 en naar alle tradities over de put die met Israël meetrok. Die put is niet als vergane glorie present in de diepe Jacobsbron: ze is levend aanwezig in de persoon van Jezus.
Dat wordt bevestigd in vers 14, waar Jezus opnieuw het contrast tussen de Jacobsput en hemzelfonderstreept: ‘Ieder die van dit water drinkt zal weer dorst krijgen, wie echter drinkt van het water dat ik hem geeft zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen, maar het water dat ik hem geef zal in hem worden tot een bron die opspringt tot in het eeuwige leven’. Jezus verwijst met die uitdrukking ‘opspringen’, hallomai, naar de traditie van de zelf-opwellende waterput en identificeert die met wat hijzelf in de aanbieding heeft.
Het is altijd weer een crime om over Johannes 4 te preken, omdat het verhaal eigenlijk veel te rijk is: je loopt onherroepelijk vast in de veelheid van schriftverwijzingen, de overmaat aan wendingen in het verloop en de opeenvolging van beeldspraken. Des te aantrekkelijker is het om, aangemoedigd door de twee andere lezingen, helemaal te focussen op het beeld van de waterput.
Jezus zet in Johannes 4 twee bronnen naast elkaar waaruit je leven kunt. De éne is de diepe put van de traditie. Die is rijk en eerbiedwaardig, maar ze werkt ook scheidend, en het zal altijd ploeteren blijven. De scheidende en beperkende gewoontes die met elke traditie gepaard gaan, komen ter sprake in de woorden van de vrouw. Joden en Samaritanen gaan niet samen, zodat Jezus eigenlijk niet uit het aardewerk van deze vrouw zou mogen drinken. Onze vader Jacob gaf óns de put, zegt ze: al in vers 5 was gememoreerd dat Jacob de grond rondom de put aan Jozef heeft nagelaten. Daardoor kunnen de Samaritanen als nakomelingen van Jozef de put claimen tegenover de (Judese) joden; want bronnen zijn vrij, maar een put is altijd van iemand en tradities zijn altijd partijdig. Op die traditie-bepaalde plek komt vervolgens ter sprake dat er één plek is om God te aanbidden. Daardoor zal er altijd twist zijn over de vraag of dat deze plek bij Sichem is, waar tenslotte volgens de Tora de vaderen Abraham, Izaäk en Jacob hun altaren hadden gehad, of de berg Jeruzalem die in heel de Tora niet voorkomt, maar waarvan ‘julie zeggen’ (vers 20) dat men daar moet aanbidden.
Met traditie kom je er niet. Daarom is de levensbron die Jezus representeert precies andersom gericht. Er wordt niet verwezen naar de diepte van de voorvaderlijke traditie, maar naar de hoogte van de komende eeuw. Er wordt niet teruggegrepen op bewijsplaatsen voor de éne of de andere plek, maar vooruitgegrepen naar het komende uur waarin het beroep op een traditionele plek, welke dan ook, zal zijn vervallen. Dat moet ook het bevrijdende moment voor de vrouw zijn: dat ze door Jezus niet vanuit haar beladen verleden wordt gedefinieerd, maar vanuit het uur dat komt waarin ook zij die zelf-opwellende bron van leven in zich draagt.
Juist die omkering, waardoor niet meer de mensenlijke traditie het referentiepunt vormt maar Gods toekomst, maakt het onnodig om uit te zoeken hoe het nu precies zat met het verleden van die vrouw: wie waren die mannen, en was het haar schuld? Wie daar iets zinnigs over wil zeggen, weigert zich te voegen in het ándere perspectief van Jezus, dat vertrekt vanuit wat komt en wie de vrouw ongeacht haar verleden zijn mag.
Piet van Veldhuizen