dr Piet van Veldhuizen
Hemelvaart van de Heer:
Lucas 24,49-53 en Handelingen 1,1-11 (Dan 7, 9-14)
Om te beginnen wil ik graag vaststellen dat de Hemelvaart zoals de evangelisten die overleveren, een verschijning van de opgestane Heer is. Volgens de vroegste traditie is het er één uit een reeks verschijningen, zie bijvoorbeeld 1 Cor 15,5-8. Dat moet gezegd worden omdat we in de kerk inmiddels gewend zijn om de hemelvaart te lezen als de verdwijning, het definitieve vertrek van Jezus naar andere oorden. Alsof er vóór dat moment sprake was van een continue aanwezigheid van de Opgestane. Bij alle verschil tussen de weergaven van de evangelisten is wel duidelijk, dat ze de opgestane Jezus niet hebben opgevat als iemand die ergens in of rond Jeruzalem logeert of rondtrekt, etend en drinkend en slapend. Hij is, zo krijgen we uit de berichten mee, op diverse momenten aan diverse personen verschenen. De hemelvaart is een verschijning met een eigen betekenis, maar het is volgens de vroege bronnen niet de eerste en ook niet de laatste verschijning van de Heer. Het is daarom slechts in zeer beperkte zin een afscheid. Jezus wás al weg; en hij liet zich ook daarna gelden, in ieder geval in zijn verschijning aan Saulus/Paulus.
Het is opvallend hoe sterk de berichten over de hemelvaartsverschijning van elkaar verschillen. Om te beginnen de plaats: volgens Lucas 24 leidt de Opgestane zijn leerlingen uit Jeruzalem vandaan naar Betanië. Dat klopt met het gegeven in Handelingen 1 dat de leerlingen na de verschijning terugkeren van de Olijfberg. Maar vreemd genoeg wordt in Handelingen niet verteld dat Jezus hen mee naar buiten nam: ze lagen aan tafel en spraken met elkaar, en toen werd hij opgenomen. Zo wordt het ook in Marcus 16 gezegd: een hemelvaart direct vanuit de maaltijd, vanuit de binnenruimte. Maar volgens Matteüs, die overigens de wegneming niet onder woorden brengt, vindt de finale verschijning aan de leerlingen in Galilea plaats. Ook Johannes 21 noemt een laatste verschijning in Galilea, aan het meer, met een maaltijd en een gesprek, maar zonder tenhemelopneming. Het past bij het hele ontastbare fenomeen van >verschijning= dat degenen die het zich herinneren, hemelsbreed van mening verschillen over het wanneer en het waar en wie erbij was. Dat geldt ook van diep-ingrijpende ervaringen in ons eigen bestaan: we kunnen het dan onderling roerend eens zijn over de impact van zo=n ervaring, maar eindeloos twisten over plaats en tijdstip.
De kerk heeft met haar feestkalender aangesloten bij het bericht in Handelingen, dat als enige spreekt over veertig dagen waarin Jezus van tijd tot tijd verscheen.
Het bijzondere van Hemelvaart als Christusverschijning is, dat ze een soort overdracht symboliseert. Ze sluit een eigenaardig soort >rouwperiode= af, waarin de leerlingen gaan beseffen dat Jezus leeft, maar in een verborgen dimensie, een ontastbaar rijk. Bij de hemelvaart als wegneming is het niet Jezus die zich verplaatst, want hij wás al geen deelgenoot meer van het aardse gezelschap. Het zijn de leerlingen die moeten inzien dat hun eigen positie daardoor verandert. Ze kunnen niet meer meelopen, ze moeten ook niet gaan zitten wachten op een nieuwe meester B zijzelf zijn aan de beurt. Het doet denken aan de wegneming van Elia, die ook voor Elisa een overdrachtsmoment is: hij neemt de mantel over en ontvangt iets van de geest van zijn meester. Ook bij hemelvaart gaat het om het ontvangen van een opdracht én van de geest van de Meester. Het is de afsluiting van een leerlingenbestaan aan de hand van de meester. Van nu af zal de meester door hen heen spreken.
Daarnaast associeren de diverse hemelvaartsberichten ook met Daniëls visioen over de mensenzoon. Handelingen 1 noemt de wolk, Matteüs 28 noemt de macht, Marcus 16 het zitten aan de rechterhand van de Eeuwige. Het lastige is dat we door deze associatie geneigd zijn om bij hemelvaart vooral uitspraken te gaan doen over de verhoogde status van Jezus Christus, terwijl de berichten suggereren dat toch vooral de status van de leerlingen in het geding is. Handelingen verbeeldt dat heel helder: de leerlingen die naar de hemel staren worden tot de orde geroepen door engelengestalten, precies zoals de vrouwen tot de orde werden geroepen toen ze in het lege graf staarden. Met hemelvaart moeten we niet naar de hemel staren. De Opgestane zal opnieuw verschijnen, maar dat zul je dan wel weer zien, vooralsnog zijn de leerlingen zelf aan de beurt. Opengaan voor zijn geest en dan de wereld tegemoet treden, dat is de opdracht.
Er is in het Romeinse christendom een complete Christus Triomfator-cultus ontstaan, waarin de ten-hemel-gevaren Overwinnaar in scherp contrast staat met de lijdende knecht. Hemelvaart is dan, door concentratie op de >promotie= van Jezus tot goddelijke Heerser, een afscheid van het verliezers-imago van de leerlingen, die voortaan mogen uitbazuinen: we are the champions! Het evangelie van de kwetsbare belichaming van gods bewogenheid in Jezus is dan in één klap weggevaagd, doordat de latere leerlingen alle hebbelijkheden van alle vorige overwinnaars en machthebbers overnemen.
Het bijzondere is nu juist dat deze Christusgestalte, die de weerloosheid van Gods liefde en waarheid heeft belichaamd tot in de dood, ten hemel wordt opgenomen. Hij verandert niet eerst in een houwdegen, een triomferende keizer of een cultfiguur. Hij nodigt ook zijn leerlingen niet uit om zich nu eens van een heel andere kant te gaan laten zien. En de Christus die ze ooit, hoe dan ook, weer onder ogen zullen komen, zal dan nog altijd diezelfde kwetsbare gestalte zijn, de lijdende knecht, het lam met de littekens, degene die heerst in dienstbaarheid. De bedoeling is, dat ze daar dan niet met macht en majesteit bovenuit zijn gegroeid...
Piet van Veldhuizen