CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Psalm 147

Ik moet wel de stofjas van de onderzoeker aantrekken om de oproep te kunnen negeren waarmee Psalm 147 opent en sluit: Halleloe-jah, prijst de Eeuwige! Want de bedoeling is natuurlijk niet dat de gemeente een haarscherpe analyse van de bijbelse poëzie voorgeschoteld krijgt. De bedoeling is dat ze zich schaart in de lofprijzing, en alles wat we aan vooronderzoek doen, moet erop gericht zijn om de gemeente over de brug te krijgen.

De vraag is dus: wat doet de dichter, en kunnen we hem dat van ganser harte nadoen? En zo niet, wat kunnen we er dan als christelijke gemeenschap in de 21e eeuw naast of tegenover stellen? Want het verband tussen de Eeuwige en, bijvoorbeeld, een hagelstorm wordt door de meesten van ons anders beleefd dan door de psalmdichter, en de vraag is dan op welke manier we zijn loflied overnemen, of erop voortborduren.

Het alternatief zou zijn dat we de psalmen uitsluitend als prachtige poëzie uit een andere tijd en cultuur lezen, maar dan is de eredienst niet de juiste plaats om dat te doen. We zullen de stofjas van de onderzoeker straks moeten verruilen voor de gebedsmantel of toga, en de psalm zal in onze monden mede uitdrukking geven aan onze betrekking tot de Eeuwige. Dat is het avontuur van kerkelijke psalmenuitleg.

Halleloe-jah, prijst de Eeuwige. Met die uitroep beginnen en eindigen de laatste vijf psalmen van het bijbelse psalter, evenals de psalmen 106, 113 en 135. Er zijn verder nog twee psalmen (111, 112) die ermee beginnen en drie (104, 105, 117) die ermee eindigen. Het is niet een uitroep die er zomaar even tussendoor gegooid kan worden. Waar deze oproep wordt gedaan, is het menens.

Want kijk maar, psalm 147 geeft niets anders dan een lange reeks van kwalificaties van de Eeuwige, die even zovele redenen zijn om Hem te prijzen. Ik vraag me af hoe ik het me moet voorstellen: somt de psalmzanger dit allemaal op en prijzen de toehoorders dan God met eigen woorden of uitroepen of applaus of heftige hoofdknikken? Of wil hij dat we God prijzen door de woorden van het lied te zingen? Ik neig naar het eerste, dus met één aangever die het lied zegt of zingt en een geestdriftige gemeenschap die het allemaal beaamt.

De kwalificaties van de Eeuwige komen in drie ronden, want driemaal is scheepsrecht: 1-6, 7-11 en 12-19/20. Het laatste vers valt uit de vorm, maar hoort er wél helemaal bij. Het onderstreept waarom de aangesprokenen, het volk van Jacob/Israël, alle reden hebben om zich in de lofzegging te engageren: ze zijn anders dan andere volken door de Eeuwige aangeraakt en aangesproken. De vraag is wel direct hoe je met dat gegeven omgaat: wordt Israël hier opgeroepen om zijn exclusiviteit te vieren, of is het meer een kwestie van >adel verplicht=, waardoor Israël de eerst-aangewezene is om de lofzang aan te heffen?

De drie ronden beginnen alle met een dubbelvers dat oproept tot de lofzang: de verzen 1, 7 en 12. Daarna volgen de kwalificaties die alle samen vertellen hoe de Eeuwige zich doet gelden. Het is opvallend dat in elke ronde zowel de >kosmische= werkzaamheid bezongen wordt van God die de wereld schept en onderhoudt, alsook zijn ingrijpen waarmee hij zijn neergeslagen volk Israël weer opricht en de stad Jeruzalem doet herrijzen. Misschien moeten we bedacht zijn op een analogie tussen die beide sferen in elke ronde. De Eeuwige die het getal van de sterren overziet en ze stuk voor stuk bij name kent (4), brengt ook de verstrooide nakomelingen van Israël bijeen (2). Met de gewonden, de gebogenen en de lamgeslagenen (verbrokenen van hart) wordt dan ook geduid op dat eens-verstrooide Israël dat nu zichzelf in Jeruzalem hervindt. In de derde ronde willen alle woorden over de sneeuw en de hagel, het ijs en de uiteindelijke dooi misschien een analogie suggereren met de lotgevallen van Israël, dat na een winter van ballingschap nu ontdooit en dat in beide, de kou en de dooi, de werkzaamheid van God ziet.

Daar zit wel een hermeneutisch probleem: zowel in de natuurkrachten als in onze lotgevallen zien de meesten van ons niet onmiddellijk de werkzaamheid van God. Tegelijk leveren levensloop en natuur wél dikwijls de beelden aan voor ons vertellen over God. Van veel dingen die in de psalm worden genoemd, weten wij niet zo zeker of God ze wel doet, of we weten zeker van niet. Toch zijn het wel de wonderen waarachter we het geheim van God vermoeden: de levenskracht van de natuur en de levensmoed van de mens, het wonder dat een gebroken mens weer gaat staan en dat een bevroren beek weer gaat stromen.

Er zijn nog een paar intrigerende momenten in de psalm. Wat de Eeuwige niet bevalt en wat wél (10-11) - daar wordt de kracht van paarden en mannenbenen genoemd. Die paarden zijn in bijbelse tijd oorlogsmachines. Bij mannenbenen denk je dan automatisch aan de ruiter die het paard bedwingt, of aan soldaten op het slagveld. Het is een typisch anti-heroïsche uitspraak waarmee het bijbelse denken zich tegenover de heldencultus profileert.

En boeiend is dat de verzen over sneeuw, ijs en dooi omsloten worden door verzen over het woord van de Eeuwige. Dat is uiteindelijk het meest bijzondere voor Israël: dat het volk woorden kreeg, leefregels waarin mensen zich door God zelf aangesproken en geroepen wisten. Dat vraagt om antwoord, nu eerst in lofzang en vervolgens in leven.

Boven deze psalm staat in de Septuaginta: Van Haggaï en Zacharias. Niemand weet hoe die vermelding er is gekomen, maar het is wél duidelijk een lied bij het herstel van volk en stad na de ballingschap. Het is een lied van mensen die veel hebben meegemaakt en constateren dat ze door alles heen weer léven. Dat getuigt in de beleving van de psalmdichter niet van hun eigen veerkracht, maar van Gods genadige toewending. De lofprijzing is dan ook niet bedoeld als gelovig machtsvertoon, maar als een vorm van, als dat bestaat, uitgelaten inkeer.

Piet van Veldhuizen