CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Psalm 33

Er wordt wel gedacht dat Psalm 33 een ‘alfabetiserend’ lied is. De verzen beginnen niet, zoals in sommige andere psalmen, met de opeenvolgende letters van het Hebreeuwse alfabet, maar het lied heeft wél 22 dubbelverzen, naar het getal van de Hebreeuwse letters. Het idee zou dan zijn dat het gemakkelijker uit het hoofd te leren is als je weet dat er voor elke letter van het alfabet een dubbelvers is.

Deze psalm is minder eenduidig een loflied dan de psalm van vorige week, 147. Er is een opmerkelijk verschil in toon tussen de beginregels en de slotregels. Het begint uitgelaten, hooggestemd, met een oproep tot lofzang met alle beschikbare hulpmiddelen, vanwege de grootheid van de Eeuwige. De slotverzen zijn veel stiller, een smeekbede, een uiting van innig verlangen. Het verlangend wachten van het slot contrasteert met het juichend loven van het begin, hoewel beide gedragen worden door vertrouwen. Je zou eerder het omgekeerde verwacht hebben: dat de psalm van aanvankelijke inkeer toeleidt naar uitgelatenheid. Maar voor de gemeente is deze vorm, van uitbarsting naar ingetogenheid, misschien wel veel meer herkenbaar.

De verzen tussen begin en eind vallen in twee hoofddelen uiteen, al weet ik niet zeker waar precies de scheiding tussen beide ligt: na vers 12 of na vers 11. De grootheid van de Eeuwige wordt eerst uitgezegd in termen van zijn woord en vervolgens in termen van zijn oog. Beide, het spreken en het zien van God, zijn daadkrachtig en beheersen de hele wereld.

Rond het thema ‘woord’ gaat het vooral over de scheppingskracht van Gods spreken, het feit dat alles, tot en met de onmetelijke oceaan, op zijn woord tot stand is gekomen en nog altijd naar hem luistert. Dat is reden om de goede verstandhouding met hem te vinden, te leven in termen van zijn recht en regel. Rond het thema ‘oog’ gaat het over de intense betrokkenheid van God bij wat er op aarde gebeurt. Hij houdt het in de gaten en gaat er daadkrachtig op in.

In beide delen in sprake van tegenstanders van de Eeuwige en van zijn beschermelingen: geweldenaars die zich tegen zijn orde verzetten, en het weerloze volk dat hij tot het zijne heeft gemaakt. Gods raad breekt de raad van de volkeren stuk (10), alleen zijn eigen plannen zetten zich door (11), zodat je goed af bent als je tot zijn gekozenen behoort (12). En Gods oog ziet om naar degenen die op zijn goedheid rekenen, terwijl de machtigste koningen zich zelfs met sterke legers niet kunnen redden. Dat laatste heeft ermee te maken dat God niet de paarden en wagens van de vorsten telt, maar hun harten leest (15).

Evenals in Psalm 147 staat het paard symbool voor strijdkracht. In een tijd van paardensport en meisjes met verzorgpony’s is het nauwelijks meer voorstelbaar, hoezeer het paard in bijbelse tijden een angstaanjagende oorlogsmachine was. Vernieuwingen in de strijdtechnieken concentreerden zich een tijd lang op het gebruik van paarden: nadat ze lane tijd als snelle trekdieren voor strijdwagens waren gebruikt, ging men pas in de loop van de koningentijd het paard zelf berijden. Het paard en de ezel staan in het bijbelse denken voor twee tegengestelde grondhoudingen: de heroïsche zelfhandhaving en de eenvoudige trouw. In psalm 33 komt geen ezel voor, maar het is duidelijk dat Israël er als ezeltjesvolk tegenover de paardenvorsten wordt getypeerd.

Piet van Veldhuizen