CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Genesis 45

Hoofdstuk 45 is niet het besluit van de Jozef-novelle, maar wel het grote keerpunt: de twaalf zonen van Israël staan hier voor het eerst in hun leven gezamenlijk een potje te huilen. Ze zijn ooit, zie Genesis 32, verwekt in een verbeten strijd tussen twee van hun vier moeders. Vier van hen zijn slavinnenkinderen, twee zijn vaders lievelingen. Alle stammenstrijd in de lange geschiedenis van Israël is zo al voorgetekend als iets wat er nu eenmaal in zat. Maar hier is dan toch, voor het eerst, een louterend moment van innig samenzijn aangebroken, een moment dat uitzicht geeft op een toekomst als één volk ondanks alle ongelijkheid en verschil.

De machinaties van Jozef in de afgelopen hoofdstukken hebben mijn sympathie voor hem bepaald niet groter gemaakt. Het onhebbelijke dromenmannetje van weleer is machtig geworden en speelt nu een wreed spel met zijn broers. Toch moet ik achteraf toegeven dat die wreedheid zinvol was: Jozef heeft toegewerkt naar het moment waarop hij zich bekend kan maken en zich kan laten gaan. Het lijkt erop dat hij zijn broers, door ze angst en schrik te bezorgen en tot uiterste wanhoop te drijven, met zichzelf heeft >gesynchroniseerd=: ze hebben zich hardop hun vergrijp tegenover Jozef te binnen gebracht, en ze zijn uiteindelijk vooral bewogen om hun oude vader die alles wat hem lief was dreigt te verliezen. Hun drang tot zelfbehoud heeft plaats gemaakt voor een gedeeld besef van een verloren leven. Jozef springt daar nu niet middenin om vrolijk de oplossing aan te kondigen, maar terwijl hij zich bekend maakt, breekt hij samen met hen in huilen uit. Het is nu tijd voor omhelzingen en ontlading van spanning en emoties.

Jozef geeft vervolgens een interpretatie van wat hem overkomen is in termen van Gods doelgerichte handelen. Hij is niet gedumpt maar vooruitgestuurd, hij werd niet tot verleden tijd gemaakt maar tot toekomst. God stuurde hem >om voor jullie een overblijfsel te stellen in het land= (vers 7). Dat woord >overblijfsel=, sj=erit, wordt door de profeten meer dan dertigmaal gebruikt om het restant van Israël aan te duiden waarmee God door alle rampspoed heen de toekomst veiligstelt. Jozef was dus bij nader inzien niet de verlorene, maar dat restant waarmee het vérder gaat, het dunne draadje dat Israël met de toekomst verbindt.

Na al het uiteengaan van de afgelopen hoofdstukken gaat er nu verzameld worden. De broers moeten dichterbij komen, vader moet gehaald worden, de huishoudens moeten opgehaald: heel Israël bijeen, en alles gegroepeerd rond Jozef die het allemaal in een handomdraai kan organiseren.

Daar zie ik dan toch weer schaduwen opdoemen. Jozef en farao lijken als met één mond te spreken en Jozef lijkt zich wel erg bewust van zijn almacht. Ik zal voor jullie zorgen, en geen gejammer over wat je moet achterlaten (vers 20) want hier is alles wat jullie nodig hebben, alles veel mooier en beter dan wat je had. Intussen blijft de tekst hardnekkig spreken van >opgaan= naar Kanaän en >afdalen= naar Egypte, en dat gaat niet zomaar over geografische toevalligheden. Kanaän blijft de bestemming en de weg naar Egypte blijft een hellend vlak. Als Jozef zijn zin krijgt en de hele clan vestigt zich om de welvaart van Egypte te genieten, is er daarmee geen sprake van een happy ending. Egypte zal later blijken een put te zijn, dieper dan die waarin Jozef had gezeten, een gevangenis, een massagraf.

Een signaal in die richting lijkt ook al van de oude Jacob te komen. Jozef stuurt hem een karavaan tegemoet met tientallen ezels met >het goede van Egypte=, om hem te overtuigen van het feit dat hij daarheen moet komen. Maar als Jacobs hart langzaam ontdooit, besluit hij niet om naar Egypte te gaan waar het leven goed is: hij wil alleen zijn zoon zien voordat hij sterft. Niet de belofte van het rijke Egypte, maar de hereniging van heel Israël is de drijfveer voor zijn laatste reis.

Nog één ding intrigeerde me in dit verhaal: als de broers uiteindelijk op weg gaan om hun vader te gaan halen, geeft Jozef hen in vers 24 kortaf een bevel: al-tirgezu badarech, letterlijk: siddert niet onderweg. In de joodse en christelijke exegese is dat heel uiteenlopend uitgelegd: maak onderling geen ruzie onderweg, wind je niet op onderweg, raak de weg niet kwijt, wees niet bang van wat je tegenkomt, laat je niet ophouden onderweg... Maar het lijkt me dat het gewoon betekent: >heb maar niet de bibbers als je gaat= B want de vorige twee keer dat hij ze wegstuurde, heeft hij ze de stuipen op het lijf gejaagd. Beide keren had hij hun een streek geleverd, dus hij moet hen er nu van verzekeren dat hij ze ditmaal niet in de val laat lopen: wees maar niet bang, ditmaal is het echt wat het is.

De ontknoping in hoofdstuk 45 werd voorbereid door de lange rede van Juda in hoofdstuk 44. Juda was bereid zichzelf op te geven ten goede van zijn vader Israël en zijn broers. Jozef stalt, als hij zich na alle ontroering weer in de hand heeft, alle macht en mogelijkheden uit waarmee hij zijn vader en zijn broers zal verzorgen. Zo staan de twee belangrijkste zonen, Juda en Jozef, de noemers van de twee koninkrijken van Israël na Salomo, voor twee diametraal tegengestelde uitgangsposities: het gebaar van boete en zelfovergave en het royale gebaar, elk met hun eigen recht op hun eigen tijd. Ze kunnen niet zonder elkaar, want Juda heeft iemand nodig die hem het leven teruggeeft en Jozef zal vroeg of laat in de vaart van zijn succes weer stilgezet moeten worden, om niet in zijn overmoed te gaan samenvallen met het machtsbolwerk Egypte.

Misschien is het de oude Jacob wel die Jozef uiteindelijk op het spoor zet, om niet te blijven bij wat hij bereikt heeft maar uiteindelijk mee >op te gaan= naar het beloofde land. Want de stervende Jacob geeft hem een stuk eigen land in Kanaän (48:22), een plek voor een graf. Zodoende zullen zijn broeders hem later nóg een keer uit de put optrekken, door zijn beenderen uit Egypte mee te nemen en hem te laten rusten bij Sichem, de eerste halteplaats van Abraham in het land, en ook van Jacob toen hij uit zijn ballingschap terugkeerde, en later van het volk toen het met Jozua het land binnentrok.

Piet van Veldhuizen