dr Piet van Veldhuizen
Jona 1
Eigenlijk is het profetenboekje Jona te klein om het per hoofdstuk te lezen. Wie het in vier sessies wil behandelen, zal toch telkens over het gehele boekje moeten spreken.
Er wordt in deze prachtige vertelling voortdurend gewerkt met grote extremen. Zo wordt de dierenwereld in dienst van de Eeuwige vertegenwoordigd door een reuzengroot en een piepklein dier. Daarnaast zijn er voortdurend sterke contrasten, uitvergrotingen die bewegingen zichtbaar maken die in het klein voortdurend in ons leven voorkomen. Zo blijken bijvoorbeeld de blindste heidenen vromer dan de profeet die gezonden wordt om hen tot bekering te roepen.
Het hoofdcontrast van het boekje is dat tussen de ruimhartigheid van de Eeuwige en de enghartigheid van zijn profeet, hoewel dat natuurlijk al te gemakke lijk gezegd is. Volgens de Koningen-boeken leefde Jona, zoon van Amittai, in de dagen van Jerobeam II, in een tijd waarin de Assyriërs Israël belaagden, met militaire overmacht, met nieuw wapentuig en wrede strijdmethoden. De bevolking van Ninevé is dus geen neutrale grootheid, ze staan voor de grootmacht waarvan Israël het slachtoffer is B vergelijk het met Berlijn in de Tweede Wereldoorlog, en vergelijk het oordeel dat Jona moet gaan aankondigen met de overvliegende luchtvloot, op weg op die stad een lesje te gaan leren. In dat licht is het heel veel gevraagd van zo= n Jona om zich de vergevingsgezindheid van de Eeuwige eigen te maken. Het zou een groot wonder zijn als Jona zou wensen dat Ninevé zou worden gespaard.
De vertelling zoekt ook op dat punt de extremen: aan het eind zal de Eeuwige de bevolking van Ninevé kenschetsen als mensen die het verschil tussen links en rechts niet kennen. Dat kan betekenen dat ze geen verschil maken tussen goed en kwaad, maar dan geduid in termen van kinderlijke onschuld en niet in termen van kwaadaardigheid. Het slachtoffer wordt uitgenodigd om met mededogen naar de daders te kijken. Alle humor die in de vertelling is gelegd, staat in dienst van die hooggegrepen exercitie om na alles wat je overkomen is toch niet vanuit het slachtofferstandpunt te oordelen.
Jona moet naar Ninevé, maar vlucht naar Tarsjisj. Dat is een geheimzinnige aanduiding. Niet de stad Tarsis wordt ermee bedoeld, maar een streek in het verre Westen, het westelijke Middellandse Zee-bekken of zelfs Spanje. Bij de profeten en in de Psalmen wordt nogal eens gesproken over > schepen van Tarsjisj= , waarmee een bepaalde soort grote handelsschepen bedoeld lijkt te zijn die naar de allerverste bestemmingen reisden.
Voor de vlucht van Jona wordt in het eerste hoofdstuk geen motief genoemd. Pas later zal hij verklaren dat hij al vreesde dat het toch weer op genade voor Ninevé zou uitdraaien. Binnen het verhaal betekent dit dat Jona het oordeel over Ninevé wil afdwingen door de boodschap er niet te gaan brengen. In de midrasj wordt nog een ander motief genoemd: uit 2 Koningen 14:23-27 kun je opmaken dat Jona al eens het oordeel aan Israël had moeten aanzeggen en dat God het volk toen uiteindelijk alsnog had gespaard. Volgens de Midrasj Jona was de profeet bang dat niemand hem meer serieus zou nemen als hij nu nog een keer een oordeel ging aanzeggen en als het dan weer niet door zou gaan. Volgens die lezing was hij dus erg bezig met zijn eigen reputatie als profeet. Ook dan is het verhaal een exercitie om vanuit een ander perspectief te kijken: niet of jij gelijk zult krijgen is belangrijk, maar of Gods schepselen het leven zullen hebben.
Het ruimtelijke contrast tussen de zending naar het Oosten en de vlucht naar het Westen gaat gepaard met een contrast tussen opklimmen en afdalen. Het onrecht van Ninevé, huizenhoog als het is, is opgeklommen tot voor Gods gezicht. De Eeuwige kan er niet meer omheen of overheen kijken. Maar Jona die geroepen wordt om ertegen op te komen, daalt af, dieper en dieper, naar Jafo, het schip in, het ruim in, de zee in, de vis in. Zo bestrijkt het eerste hoofdstuk horizontaal en verticaal de maximale ruimte: van Oost naar West en van hemel tot hel.
Als de Eeuwige zijn vluchtende profeet achtervolgt met een storm, vertelt het verhaal met een voelbaar welbehagen over de voorbeeldige vroomheid en ijver van de zeelui, in contrast met de onaangedaan slapende Jona. Terwijl in het jodendom de zeevaart gold als een uiting van heidense overmoed waar aan een godvrezend mens niet behoorde mee te doen, zijn hier de zeelieden een toonbeeld van alles wat recht en goed is. Ze vermoeden achter de storm een godsoordeel en gaan bij zichzelf te rade. Als blijkt dat Jona de schuldige is, geven ze hem niet zomaar aan het oordeel prijs. Ze proberen eerst nog om hem en het schip me uiterste krachtsinspanning te redden. Als ze Jona toch overboord gaan zetten, beseffen ze dat ze zich misschien aan een onschuldige bezondigen en bidden ze bij voorbaat om vergeving. Terwijl er over Jona= s lippen nog geen woord van gebed gekomen is, hebben de zeelieden al tot zijn God gebeden en aan Hem geofferd als aan de ware God. Wat Jona pas leert in de diepste diepten, praktiseren de heidense zeebonken middenin het leven, weliswaar met grote vrees, maar toch ook helemaal in hun element.
Het zou boeiend zijn om naast dit eerste hoofdstuk de zeereis van Paulus te lezen, uit Handelingen 27. Die zou gelezen kunnen worden als een tegenverhaal, omdat Paulus niet op de vlucht is maar de reis door de doodsmachten heen doelbewust maakt in het voetspoor van Jezus. Tegelijk is het ook een uitvergroting van de Jona-episode, met veel parallelle elementen en beduidend meer drama. Ook Paulus gaat overboord en komt door de golven heen behouden aan land, maar ditmaal mét de hele bemanning. Tussen Jona en Paulus staat Jezus, die als Jona slaapt temidden van de storm (Mat 8:24), maar zijn rust komt net als bij Paulus niet voort uit doofheid voor de stem van de Eeuwige. Hij spreekt ten aanzien van zichzelf over > het teken van Jona= (Mat 12:39-40) B maar daarvoor moeten we naar hoofdstuk 2.
Piet van Veldhuizen