dr Piet van Veldhuizen
Jona 2
Het tweede hoofdstuk van Jona, los genomen, is een welhaast onmogelijke opgave. Het is een indrukwekkende psalm, dat wel, omlijst met twee of drie zinnen uit het verhaal. Die vertellende zinnen zijn samen het slot van het verhaal over Jona’s vlucht, climax en anticlimax ineen. De vis is het absolute dieptepunt van Jona’s afdaling en tegelijk het voertuig dat hem weer omhoog brengt. Het is de diepste dood, de belichaming van de afgrond, maar ook de dienaar van de Eeuwige. Op dat dieptepunt doet Jona eindelijk wat de heidense zeelieden al zoveel eerder deden: bidden tot zijn God. Hij zocht die verbinding zo lang mogelijk niet, want die verbinding zou hoe dan ook in dienst staan van het behoud van de gehate stad Ninevé. Als de Eeuwige hemzelf genadig zou zijn, kwam ook het heil de aartsvijand weer in beeld. Zo bezien is het Jona’s ervaring met Gods goedheid die hem noopt om zo lang mogelijk stom en doof te zijn voor God. Pas middenin de dood (maar tegelijkertijd omsloten door Gods bemoeienis) zoekt hij opnieuw het contact.
Het problematische van een los hoofdstuk 2 is om te beginnen dat het een soort gezichtsbedrog oplevert. Het gebeuren met de vis wordt door deze indeling verregaand verzelfstandigd. Het is niet meer een ontknoping die met vaart naar het tweede bedrijf voert, maar een thema op zichzelf. En terwijl de rabbijnse traditie, bijvoorbeeld in Midrasj Jona, de verbeelding de vrije loop laat door het binnenste van de vis te vergelijken met een synagoge, en door de vis enorme ogen te geven waardoorheen Jona een panoramisch uitzicht op de wondere wereld van ze zee ontvangt, bijt een deel van het westerse christendom zich vast in historiciteitsvragen, in de mogelijkheid of onmogelijkheid van de vis.
Daarnaast is er het probleem met de psalm zelf. De meeste geleerden zijn het erover eens dat het lied niet speciaal voor deze vertelling werd geschreven. Het was een bestaand lied, of een collage van bestaande versregels, gelegd in de mond van Jona in de oerdiepte. De beeldentaal van het lied past bij de vertelling, maar sluit er niet naadloos op aan. Verschillende vertalingen proberen alle kieren te dichten, bang als ze blijkbaar zijn voor lekkage zo diep onder water. Zo wordt van de term soef, die verder altijd met riet of biezen wordt vertaald, hier plotseling zeewier gemaakt. Ook de rivier in vers 4 wordt meestal wegvertaald, maar vooral worden, bijvoorbeeld in de Willibrordbijbel, alle zinnen die de heilvolle omkeer verwoorden, als een smeekbede geformuleerd en niet in de stellende en stellige vorm die ze los van de Jona-context hebben.
Als je het lied helemaal opsluit in deze episode van het Jonaverhaal, heeft het iets merkwaardigs. Er klinkt geen berouw in, geen boete, geen verantwoording van eigen falen en omkeer. De context van Jona’s zending is volstrekt afwezig. Het is een intiem egodocument, een lied van hoop in benauwenis, een psalm die middenin de duisternis van licht zingt. De vorm is sterk: nadat een aantal dubbelzinnen elkaar parafraserend hebben versterkt (het klassieke parallellisme), gaat in vers 5 het tweede lid van een dubbelzin opeens dwars tegen het eerste in: de peilloos diep verworpene zal opstaan, terugkomen en in het heiligdom verschijnen. in de tweede helft van de psalm herhaalt zich dat procedé min of meer.
Als psalm in de mond van Jona overstijgt het lied de kaders van het verhaal, al lopen er wel allerlei lijntjes. Jona zingt over zaken die de zeelieden vér boven zijn hoofd in de praktijk brengen: geloften inlossen, offers brengen, voor de Eeuwige verschijnen, zich rekenschap geven van een leven dat door de dood heen behouden bleef. Tegelijk bezingt hij wat hij inzake Ninevé zo onverteerbaar vindt: dat er bij de Eeuwige omkering van het lot is, terugkeer uit het duister van de dood. Voor hemzelf is dat uitkomst, het is de kern van een leven in Gods hand, maar in het tweede bedrijf zal blijken dat hij het zijn ergste vijand niet toewenst. Voor Ninevé meent hij zelf een meedogenloosheid te moeten bewaren waarvan hij weet en ervaart dat de Eeuwige die (‘helaas’) niet koestert.
Misschien heeft de auteur nog wel overwogen om de psalm voor het einde van het verhaal te bewaren, maar het verhaal moest eindigen met een vraag. De psalm zou het verhaal dichtsmeren, als afsluiting zou het te vroom zijn.
Zoals het er nu voorstaat, gaat het bij Jona om de spanning tussen deze innige psalm en de open vraag aan het einde van het boekje, dus tussen de eigen ervaring van heil en de vraag of je dat heil aan je ergste vijand zou kunnen toewensen. Dat de Eeuwige een hoger standpunt inneemt, brengt zijn mensenkinderen in de spagaat die in dit boekje wordt verbeeld: je leeft dankzij het feit dat Gods goedheid grenzenloos is – maar de geschiedenis kan zo lopen dat het soms ook onverteerbaar voor je is dat Gods goedheid geen grenzen kent.
Tenslotte zijn er nog de woorden van Jezus over ‘het teken van Jona’, door Lukas genoteerd en zelfs tweemaal door Matteüs. Hoeveel jona-exegese schuilt er achter die woorden? Gaat het eenvoudig over het feit dat Jezus net als Jona een reis door de doodsdiepte zal maken? Of gaat het er, tegenover de tekenen van macht en luister waarr het publiek van Jezus naar vraagt, ook om dat de weg van Jona een afgang was? Opklimmen naar de hemel deed in het Jona-verhaal alleen het kwaad van Ninevé. De nabijheid van God komt tot stand door de afdaling in het dodenrijk, door de worsteling ten dode toe van een mens met Gods goedheid voor een boze mensenwereld. Niet dat we Jona en Jezus zo precies op elkaar kunnen leggen, maar het is wel spannend om een meer dan oppervlakkige verbinding te zoeken. Daarvoor moet je soms niet alleen allerlei traditionele bijbelleesbagage overboord zetten, maar moet je ook zelf overboord, om met Jezus en Jona je eigen ondergang én de hand van de Eeuwige tegemoet te zinken.
Piet van Veldhuizen