CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Genesis 11:1-9 en Handelingen 2

Pinksteren

Er is een voor de hand liggende verbinding tussen het verhaal van de toren in Genesis 11 en het Pinksterverhaal in Handelingen 2. De spraakverwarring uit het oerverhaal wordt op het Pinksterfeest opgeheven, al was het maar voor één moment. Of de auteur van Handelingen dat verband ook zo gezien heeft, weten we niet helemaal zeker, maar het is goed mogelijk. De vraag is dan wel hóé hij het verband zou hebben gezien. Zijn de verhalen vooral elkaars tegenbeeld, of zijn ze vooral elkaars parallel?

In beide verhalen komen mensen samen met een grote eenheids-ervaring, en worden ze vervolgens verspreid. Dat laatste geldt ook in Handelingen, waar het net als in Genesis niet de bedoeling is dat de mensen op een hoop blijven klitten. Ook Lucas ziet graag alle uithoeken van de wereld vervuld, en ook bij hem realiseert zich dat steeds weer doordat mensen van de ene plaats verdreven worden en zo hun verhaal op de andere plek brengen. En ook in het grote verhaal van Lucas is er na die ene dag van eenheid weer spraakverwarring in overvloed, en misschien werkt die verwarring vaak wel als de centrifuge die het evangelie de wereld in slingert: Petrus en Paulus kunnen niet op één plek werken, Paulus en Barnabas gaan elk huns weegs – zo wordt aan eenheid ingeboet, maar ook terrein gewonnen.

Terugkijkend naar genesis 11 kun je dan ook vragen, in hoeverre daar de spraakverwarring ook een blessing in disguise is: ze doorkruist de grote aspiraties van de mensen, maar ze zegent de aarde met diversiteit en diepgang. Zo ziet de Britse opperrabbijn Jonathan Sacks het althans. Zijn pleidooi voor de waardering van radicale diversiteit, o.a. in zijn boek The Dignity of Difference, steunt onder meer op een positieve interpretatie van de spraakverwarring in Genesis 11, als motor voor cultuur, als uitdaging tot werkelijke uitwisseling.

Het wezenlijke contrast tussen Genesis 11 en Handelingen 2 zit hem in de aard van de eenheid. In Babel maken de mensen voor zichzelf een naam, om niet verstrooid te raken. Ze maken zichzelf groot, in het beeld van de toren blazen ze zichzelf op om zichzelf niet kwijt te raken, totdat de Eeuwige dat opgepompte zelfbeeld doorprikt en de flarden alle kanten op vliegen. De zelfvergoddelijking van de mens – als je wilt, kun je in Genesis 11 lezen dat God zich erdoor bedreigd voelt, maar de ervaring van Israël met Babylon, Ninevé en Egypte is vooral dat het ook de mensen zelf bedreigd, dat de mens van zelfvergoddelijking vooral ook ontmenselijkt, dat hij van mateloosheid onbarmhartig wordt.

In Handelingen 2 wordt de eenheidservaring dan ook anders verwoord: ‘wij allen horen hen in onze eigen taal de grote daden Gods verkondigen’. Niet in de naam van de mens, maar in de daden van God wordt eenheid ervaren. dat stemt overeen met wat rabbi Sacks over ultieme eenheid te melden heeft: die ligt buiten de mens, buiten ons aller bereik en mag nooit door mensen geclaimd worden. Waar mensen greep menen te krijgen op het ene of de Ene, halen ze een streep door de andersoortige ervaring van hun medemensen, worden ze repressief in hun denken en doen. Je kunt je alleen door de Ene laten grijpen, zegt Sacks, en toelaten dat Hij anderen anders grijpt dan jou. Juist doordat we alle talen en toonaarden nodig hebben om elkaar met handen en voeten onze grote ervaringen te vertellen, hebben we werkelijk een boodschap aan elkaar. Het Babel van de grote eenheid had geen boodschap aan kleine mensen met een ander verhaal. En zelfs de Petrus van Handelingen 2 zou steeds weer opnieuw moeten leren, een boodschap te hebben aan anderen: aan Cornelius bijvoorbeeld, en aan Paulus. De eenheid lag buiten datgene wat hijzelf beheerste.

Zo staat Handelingen 2 in een grote beweging, verbeeld door de beweging van zaaien, oogsten en weer zaaien. Terecht, want Pinksteren blijft een feest van de graanoogst, waar verzameld wordt wat naderhand weer verstrooid moet raken en sterven, of vermalen moet worden en door het vuur gaan.

Daarom is het misschien goed om het feest van de grote eenheid in het teken te zetten van de moed om los te laten en verstrooid te worden. De oogst als inzameling met het oog op het uitstrooien verbeeldt niet alleen de weg van het Woord, maar ook een aantal ‘gewone’ levensprocessen. In gezins- en familieverband verzamelen en vermeerderen mensen zich en ze proberen zo lang mogelijk één volkje te blijven, maar de bedoeling is toch ook dat het verstrooid raakt, dat jonge generaties hun eigen weg gaan. Soms gaat dat met spraakverwarring gepaard, maar altijd met pijn in het hart van de ouderen, die ooit de motor waren van de eenheid, en bij wie alles nu vandaan loopt door uit-huis-gaan, door ieders eigen besognes, door dikwijls verre verhuizingen, en doordat naasten sterven. Mensen willen klitten, maar moeten loslaten. Maar ook in die andere betekenis zijn we bij het klimmen der jaren bang om verstrooid te worden: dat we in ons hoofd niet meer alles bij elkaar kunnen houden. Krampachtig proberen we de eenheid en consistentie te bewaren, maar de les van Babel en de troost van Pinksteren is dat we ook hier mogen leren om los te laten, verstrooid te raken, uiteen te vallen, op Gods akker in de verwachting van zijn oogst. Elke familiereünie en elk moment van grote helderheid is als een Pinksterfeest, een feest van vervulling – waarna er weer verstrooid en gestorven moet worden.

Waar de eenheid bestaat in de toren van onze eigen naam, blijft het een krampachtige geschiedenis, één groot verliezen. Als de eenheid buiten onze macht ligt, in Gods grote daden, kunnen we elkaar aanmoedigen om los te laten, als zaad in Gods hand.

Piet van Veldhuizen