dr Piet van Veldhuizen
Jesaja 42:1-12
Wie over de ingeroosterde fragmenten uit Jesaja wil gaan preken, doet er goed aan om eerst de hoofdstukken 40-45 ineens door te lezen. Je ziet dan hoe een aantal thema’s voortdurend terugkeert. Het is niet gemakkelijk om in dit grote veld van godsspraken perikopen af te bakenen, omdat kleine thematische eenheden elkaar voortdurend afwisselen. Ze worden niet afgerond, maar worden even verderop herhaald of voortgezet. De uitsnedes die voor dit leesrooster-project zijn gemaakt, hebben daarom in principe iets willekeurigs: het zijn exempels van het geheel, en de plicht van de prediker is het, bij het bespreken van het exempel het grote geheel te laten meeklinken.
Drie deelthema’s zijn in de hoofdstukken 40-45 voortdurend aan de orde: de unieke en absolute grootheid van de Eeuwige; de nietswaardigheid van afgoden en afgodendienst; en de plek die Israël als ‘dienaar’ inneemt tussen de Eeuwige enerzijds en de volkerenwereld met haar afgoden anderzijds. Dat die thema’s onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt geïllustreerd door de manier waarop de uitspraken elkaar afwisselen. Het zijn geen hoofdstukken die stuk voor stuk worden afgehandeld, het is eerder een draaimolen waarvan de thema’s elkaar voortdurend achtervolgen.
Een aantal fragmenten uit het grotere geheel van Jesaja 40-55 staat bekend als de ‘liederen van de Knecht des Heren’. Opvallend is dat de fragmenten waarin deze Knecht uitdrukkelijk met Jakob of Israël gelijkgesteld worden, gewoonlijk niet in deze reeks worden meegerekend, terwijl ze wél van hetzelfde vocabulaire gebruik maken. De eerste verzen over de Knecht vinden we in Jesaja 41:8vv: ‘Jij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik uitgekozen heb...’ – en diezelfde identificatie van de Knecht met Israël keert terug in 44:1vv: ‘En nu, hoor Israël, mijn knecht en Jakob, die Ik uitgekozen heb...’.
De beginwoorden van Jesaja 42 klinken tussen de twee aangehaalde verzen in en kunnen daarvan moeilijk los worden gezien. Weer gaat het over de gekozen knecht waarmee de Eeuwige een heel bijzondere band heeft en die temidden van de volkeren een bijzondere plaats en roeping heeft. In de klassieke joodse en christelijke exegese werd zelden het grote tekstgeheel betrokken, zodat het in Jesaja 42:1 een volledig open vraag is, wie er met de knecht bedoeld zou kunnen zijn. Joodse exegeten noemen als kandidaten Cyrus, Jesaja zelf, de komende messiaanse koning, en de Rechtvaardigen in Israël, en christelijke exegeten hebben de liederen over de Knecht natuurlijk op Jezus betrokken. Vanuit het grotere tekstgeheel is Israël, gepersonifieerd als ‘Jakob’, de enige zinnige kandidaat voor de rol van de knecht. De personificatie geeft wel ruimte aan de gedachte dat iemand Israël belichaamt: de profeet, de koning, de tsaddiek, de Christus – waarbij niet uit dit rijtje gekozen hoeft te worden, want Israël moet telkens opnieuw belichaamd worden, omdat alleen een belichaamd Israël geroepen en gezonden kan worden, gezegend kan worden en een zegen kan zijn.
Spannend in deze teksten is de driehoeksrelatie tussen de Eeuwige, de ‘knecht’ en de goden/volkerenwereld. Soms worden de afgoden in contrast gezet met JHWH, en dat is in de teksten een gemakkelijk contrast: almacht versus onmacht, Schepper versus vuilnis. Maar in 42:1 wordt de ‘knecht’ tegenover de afgoden en hun vereerders gezet. Het ‘zie’ van vers 1 staat antithetisch tegenover het ‘zie’ van het voorgaande vers. Het contrast ligt niet in de superieure kwaliteit van de knecht. Hij is degene die in al zijn kwetsbaarheid door JHWH gesteund wordt, gekozen en geliefkoosd. In de loop van Jesaja 40-45 wordt die kwetsbaarheid in verschillende toonaarden benoemd, positief én negatief: zwakte, zachtmoedigheid, blindheid en doofheid. De knecht leeft niet van zijn eigen goede eigenschappen, maar van de open verbinding met de Eeuwige. Krachtens die verbinding kan hij een heilzame rol spelen in de wereld.
In de christelijke traditie die de teksten over de knecht op Jezus laat slaan, vallen de fragmenten over de feilbaarheid van de knecht buiten de selectie van ‘liederen over de Knecht des Heren’, evenals de teksten waar de knecht eenduidig met Jakob/Israël wordt geïdentificeerd. Ten onrechte, lijkt me.
In Matteüs 12:18-21 treffen we een uitgebreid citaat van Jesaja 42:1-4 aan, waarin ook de befaamde woorden over het ‘gekrookte riet’ voorkomen (waarover de bevindelijke Zeeuwse prediker Smijtegeld 145 verschillende preken hield). Het is een uitzonderlijk uitgebreid citaat, waarbij de bewoordingen zorgvuldig lijken te zijn gekozen: ze zijn niet zomaar overgenomen uit de Septuagint of de Hebreeuwse tekst. Het citaat markeert een situatie waar Jezus de confrontatie ontwijkt met de religieuze leiders die tot zijn ondergang hebben besloten, en intussen elders doorgaat met het helen van de zieken. Dat in de Jesajatekst tot tweemaal toe ‘alle volken’ worden genoemd, lijkt hier een vooruitwijzing te zijn naar de nieuwe situatie die zal ontstaan als de leiders Jezus daadwerkelijk ter dood brengen: pas daarna immers zal de Opgestane zijn leerlingen uitzenden naar ‘alle volken’ (Mat. 28:19).
In Jesaja 42 wordt over dat grote bereik van die kwetsbare knecht plastisch gesproken: zijn woord zal, zonder dat er geschreeuwd wordt, hoorbaar worden in de uithoeken van de wereld, in de kuststreken (op de rand van de oerdiepte), op de eilanden zelfs, in de woestijn, op de rotsen. Tegenover het absolute koningschap van de Schepper staan per saldo twee soorten van schepselmatigheid of zwakheid: het dode hout van de afgoden, en de kwetsbare grootsheid van de ‘knecht’ die in open verbinding met de Schepper leeft. Dat hij anderen niet breekt en uitblust (3), is direct verbonden met het feit dat hijzelf niet gebroken en geblust wordt (4): hij bestaat ternauwernood en is juist in die fragiliteit een kanaal van recht en waarheid, licht en vrijheid. In een telescopische visie komt dan via Israël, de profeten en de tsaddikim, niet alleen Jezus, maar ook elk van zijn volgelingen in het vizier.
Ten slotte: de godsspraken in de evangeliën, bij Jezus’ doop en bij zijn verheerlijking op de berg, waar vanuit de hemel wordt verklaard dat dit de geliefde en uitgekozen zoon is in wie de Eeuwige welbehagen heeft, citeren uit de teksten over Jakob/Israël, de knecht, en met name uit Jesaja 42:1 - terwijl er mogelijk ook, zowel in de evangelietekst als bij Jesaja, een veelzeggende toespeling in schuilgaat naar Genesis 22:2, waar Abraham wordt gevraagd zijn geliefde zoon prijs te geven (vgl Jesaja 43:1-4 waar de Eeuwige zijn geliefde zoon niet zal prijsgeven).
Piet van Veldhuizen