CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Jesaja 44:1-20

Deze perikoop opent met een verklaring van intense wederzijdse verbondenheid tussen de Eeuwige in al zijn grootheid, en zijn volk Israël. Vervolgens wordt de grootheid en reële werkzaamheid van de Eeuwige gecontrasteerd met de dode nietigheid van de goden die in de gestalte van beelden worden vereerd. Dat loopt uit op een uitgebreide, snijdende bespotting van het hele idee dat mensen vertrouwen stellen op iets wat ze zelf in elkaar hebben geflanst. Het leest heerlijk weg, het is religiekritiek met de cynische kracht van modern cabaret, alsof de geest van de Verlichting erin waait. Het is een tekst die probeert, de lachers op zijn hand te krijgen, maar daaraan kleven wat mij betreft wel serieuze problemen. Hieronder zal ik daarop kort ingaan.

Eerst wijs ik erop dat de verzen 1-9 aangemerkt moeten worden als één van de ‘liederen van de Knecht van JHWH’ (zie mijn bijdrage bij de voorgaande zondag over Jesaja 42). De aangesprokene wordt ‘dienaar’ en ‘gekozene’ van de Eeuwige genoemd. In dit geval wordt met de uitverkoren knecht ondubbelzinnig Israël als volk is bedoeld, gepersonifieerd in de stamvader Jakob/Israël, met wiens nakomelingen (vers 3) de Eeuwige zich verbindt.

Naast de namen Jakob en Israël wordt hier ook Jesurun genoemd, een aanduiding van Israël die we verder alleen driemaal tegenkomen in Deuteronomium 32 en 33. Het betekent zoiets als ‘de oprechte’ (van jasjar) en misschien is het een koosnaam voor Israël die tegenwicht biedt aan de betekenis van Jakob, ‘de bedrieger’.

De ‘echtheid’ of reële werkzaamheid van de Eeuwige als God van Israël wordt in de eerste negen verzen in een aantal dimensies uitgemeten: de Eeuwige is al-omvattend in levengevende kracht, in tijd en ruimte, en in zijn uniciteit. Daarmee wordt een verpletterend contrast voorbereid met de nietige werkstukjes van afvalhout waarvan (volgens het vervolg van deze tekst) de volkeren heil zouden verwachten.

De God van Israël geeft overvloedig leven, verbeeld als het uitgieten van water, beken, Geest en zegen. De weerklank die deze beweging vindt bij Gods volk wordt verbeeld als opschietend geboomte en uitspruitend groen, en vervolgens (vers 5) drievoudig verwoord in formules en gebaren van erkenning, waarin mensen zichzelf verbinden met de Eeuwige.

In de verzen 6-9 verklaart de Eeuwige dat hij de Enige is. De woorden van de Christusgestalte in Openbaring 1:17 zijn op deze verzen geïnspireerd. Je hoeft niet te vrezen, niet schichtig alle kanten op te kijken, want geen macht ter wereld valt buiten het allesomvattende bereik van de Eeuwige. Ook al het voorgaande en toekomende ligt in zijn macht besloten, terwijl de afgoden daar geen enkele weet van hebben – een notie die ook al ter sprake was in Jesaja 41:41-43.

Maar nu over de manier waarop in de verzen 10-20 de spot wordt gedreven met de afgoden. De verering van beelden wordt belachelijk gemaakt, uitgaande van de veronderstelling dat de aanbeden god geheel samenvalt met de gefabriceerde beeltenis. Het is de manier waarop protestanten ooit de katholieke devotie belachelijk maakten: de eerbied voor een concrete beeltenis werd gehouden voor aanbidding van hout en verf, en niet van de realiteit die door de beeltenis werd gerepresenteerd. Die miskenning van de ware situatie komt in principe niet voort uit onwetendheid, maar uit extreme partijdigheid. Zo ligt het in Jesaja 44: het contrast tussen de ware eredienst en de afgodendienst wordt gemaximaliseerd. Het risico is, dat de Israëliet die in deze termen over afgodendienst spreekt, zelf ook eens langs dezelfde lijnen zal worden beoordeeld. Want hoe beeldenloos zijn eredienst ook is, ze bestaat in vormen, rituelen, gebaren en woorden die los van de grote realiteit van het geloof door de buitenstaander met alle gemak belachelijk gemaakt kunnen worden. Over de eerbiedige omgang van joodse gelovigen met rollen perkament zou een ander zonder moeite een satire kunnen schrijven op het stramien van Jesaja 44. En de manier waarop cabaretiers in Nederland de spot drijven met kerkelijk geloof ligt recht in het verlengde van de manier waarop protestanten het katholieke geloof hebben geridiculiseerd, katholieken het joodse geloof, en joden het geloof van de volkeren. Het is goed om daar eens bij stil te staan.

Als de vinger wordt gelegd bij het gebrek aan werkzaamheid van de afgoden, moet er bovendien wel iets gezegd kunnen worden over de werkzaamheid van Israëls God. De levenloze zintuigen van de houten goden worden bespot, en het feit dat ze geen enkel probleem voor je oplossen wordt keer op keer onderstreept. Wie zo spreekt, moet wel erg zeker zijn van de aanwijsbaarheid van Gods horen, spreken en handelen. In Jesaja 44 is dat het geval, maar hoe zit dat bij ons? Als wij bescheidener zijn dan Jesaja in het aanwijzen van Gods werkzaamheid in ons bestaan, zullen we ook terughoudender moeten zijn in het lachen om de afgoden.

Een volgend probleem is dat in Jesaja 44, net als in de deuterocanonieke Brief van Jeremia en in Wijsheid 14, de werkzaamheid van God en de goden wordt opgevat in termen van krachtmeting. De afgodendienaar wordt bespot omdat hij iets aanbidt dat zwakker is dan hijzelf. De timmerman vereert iets dat hijzelf vastspijkert om het voor omvallen te behoeden, een stuk hout day hij toevallig over had. In deze spot klinkt door dat goden sterk zouden moeten zijn, superlatieven van kracht en macht. De kwetsbaarheid en onbeholpenheid van het beeld is voor de auteur reden genoeg om het niet serieus te nemen. Maar zijn zijn eigen immateriële beelden niet even kwetsbaar en onbeholpen? En wordt de kracht van de Eeuwige juist ook niet in zwakheid volbracht, in de geschiedenis van zijn knecht Jakob/Israël en in de levens van de profeten?

Ik wil het Israël van Jesaja, de geteisterde underdog onder de naties, dat moment van spottende triomf niet misgunnen. Maar ik wil er ook omzichtig mee omgaan, want alle cynisme en superioriteitsgevoel van de verlichte seculiere godloochenaar van vandaag lijkt recht in het verlengde van deze beweging te liggen.

Piet van Veldhuizen