CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

2 Makkabeeën 6-7, Marcus 12:18-27

Wie met het oog op de gedachtenis van de gestorvenen (Allerzielen) uit Marcus 12 gaat lezen en daarnaast ook uit 2 Makkabeeën wil putten, zou eigenlijk in plaats van het ingeroosterde begin van hoofdstuk 6, het hele zevende hoofdstuk moeten lezen, of eventueel alleen de verzen 7:1-9.

2 Makkabeeën 7:9 geldt immers als de eerste expliciete vermelding van het geloof in een opstanding tot eeuwig leven binnen de joodse gemeenschap, en dat is precies wat in de Marcus-perikoop ter discussie staat. Frappant is dan, dat het in beide perikopen gaat om zeven broers die sterven, en een vrouw die hen alle zeven verliest en dan als laatste na hen sterft. In Marcus is de vrouw een echtgenote die via het zwagerhuwelijk aan alle zeven achtereenvolgens verbonden is geweest. In 2 Makkabeeën gaat het om een moeder voor wier ogen haar zeven zonen één voor één op gruwelijke wijze worden afgeslacht.

In 2 Makkabeeën 7 durven zeven mannen en hun moeder hun marteldood te sterven in het vertrouwen dat God hen over de grens van de dood heen recht zal doen. Er wordt weleens gezegd dat het geloof in de opstanding moet zijn ontstaan uit de overtuiging dat God het er niet bij laat zitten: als God werkelijk trouw en rechtvaardig is, moet er een wereld zijn waarin het kwaad niet zegeviert, waarin de slachtoffers van het kwaad alsnog tot hun recht zullen komen. In 2 Makkabeeën 6-7 wordt het beeld opgeroepen van een absolute overmacht van het kwaad, waarin goedheid en trouw alleen stand kunnen houden door de dood in te durven, vertrouwend op God die er ook ‘aan gene zijde’ zal zijn.

Maar in Marcus 12 worden die zeven andere mannen en hun éne vrouw juist aangehaald om de vermeende absurditeit van een opstanding tot eeuwig leven aan te tonen. Aan wie van de zeven zou de vrouw in de eeuwigheid moeten toebehoren? De Sadduceeën die met dit voorbeeld aankomen, maken het zich wel erg gemakkelijk door ervan uit te gaan dat de opstanding een plompverloren voortzetting van het eerste of aardse bestaan zou zijn. Dat is dan ook precies waar Jezus hen op afrekent.

In zijn repliek beroept Jezus zich op Mozes. Dat is van belang, omdat de Sadduceeën geen ander Schriftberoep erkennen dan dat op de boeken van Mozes, de Tora. De redenering is fascinerend: als de Eeuwige zich tegenover Mozes de God van Abraham noemt, kan Abraham op dat moment geen verleden tijd zijn. De Eeuwige is geen hoeder van mummies, geen lijkengod. Als Hij iemands God is, dan is die mens alleen al daardoor een levende realiteit. Abrahams levende werkelijkheid is gewaarborgd in Gods wezen en in Gods gedachtenis. Als God mij denkt, ben ik, en werkelijker of levender dan dat kan ik niet zijn.

Trouwens, ook de zeven zonen in 2 Makkabeeën beroepen zich op Mozes om hun hoop te funderen. De eerste martelaar uit 2 Makkabeeën 7 houdt zich vast aan de woorden "Over zijn dienaren zal Hij zich ontfermen" (Deut. 32:36). Ook hier wordt aan de woorden van de Eeuwige een ultieme actualiteit toegekend, in overeenstemming met zijn heilige Naam JHWH.

Met de Makkabeeënboeken heb ik overigens grote moeite. Eén van de belangrijste grondtrekken van de Hebreeuwse bijbel is zijn anti-heroïsche tendens. Heldendom en wapengeweld worden in de profetische geschiedschrijving consequent gerelativeerd, ook als het om de eigen helden en wapenfeiten van Israël gaat. Ook David en Salomo ontkomen niet aan de profetische kritiek: de heersers moeten zich herinneren dat ze geen goden zijn, maar dienaren. Het bestaansrecht van Israël hangt steeds aan het anders-zijn van dit volk dat zich zijn bevrijding moet herinneren. Misschien lees ik het niet goed, maar die dimensie mis ik in de Makkabeeën-boeken. Voor mijn gevoel zijn ze niet alleen in het Grieks overgeleverd, maar zijn ze ook teveel een Grieks epos waarin de ‘onzen’ de goeden zijn, met een vanzelfsprekend recht op zelfhandhaving, desnoods met alle geweld. In de hoofdstukken die nu op het rooster staan, valt dat minder op omdat ze de slachtoffers zijn van extreem geweld. Maar ook de beschrijving daarvan kent niet de soberheid die de bijbelse vertelling eigen is: de vertelling wentelt zich in wreedheden om de heroïek van het martelaarschap te vieren, zoals we dat ooit ook in onze vaderlandse geschiedenis graag deden met levendige beschrijvingen van brandstapels en folterwerktuigen. Voor een lezing op Allerzielen zou ik me daarom beperken tot de eerste negen verzen van 2 Makkabeeën 7.

Als het om de evangelielezing uit Marcus 12 gaat, ligt het voor de hand als we ons op deze dag vooral richten op Jezus’ argument voor het leven ‘in God’ door de dood heen. Toch is het ook de moeite waard om nog een ander aspect van die perikoop te bezien. De ironie van de Sadduceeën, met hun verhaaltje over een vrouw en zeven mannen, heeft ook een cynische kant. Voor hen telt de casuïstiek: zo’n meervoudige weduwe is het eigendom van zeven heren geweest, dus vertel maar, als er na de dood nog iets is, aan wie van de zeven rechthebbenden ze dan moet toebehoren. Als het echt zou gebeuren, zou het een drama zijn, een verhaal van opeengestapeld verdriet en ook van vernedering. Want het zwagerhuwelijk zal een broodnodig vangnet zijn geweest, maar het moet toch ook met veel pijn en moeite gepaard zijn gegaan. Zoals de Sadduceeën het voorstellen, zou alle ellende door de dood heen gewoon doorgaan: de vrouw is van hand tot hand gegaan en moet nu opnieuw aan iemand worden toegekend. Je kunt dan ook in het antwoord van Jezus een zekere felheid vermoeden: over de doodsgrens heen zal de vrouw vrij zijn, ze zal niet verhandeld worden en niemands eigendom zijn. In Gods gedachtenis leeft zij niet als de-vrouw-van, maar als degene die ze is, met haar eigen naam. Door het leven wijder te denken dan het aardse bestaan, kan Jezus het ook ‘vrij denken’ uit de omklemming van wetsregels en maatschappelijke conventies. De eeuwigheid is uittocht uit alle slavernij.

Piet van Veldhuizen