dr Piet van Veldhuizen
Jesaja 40,1-11; Psalm 104,1-13; Lucas 3,15-22
Voor de evangelist Lucas is Johannes de Doper een bijzonder belangrijke figuur. Zijn geboorteverhaal wordt verteld, verstrengeld met dat van Jezus, en tot in hoofdstuk 16 toe blijft de naam van de Doper geregeld vallen. Toch is er juist bij Lucas een merkwaardige afstand tussen Johannes de Doper en Jezus. Het lijkt wel alsof hij Johannes met narratieve middelen wil ‘afschaffen’ voordat Jezus ten tonele komt. Eerst vertelt hij dat Johannes vanwege zijn verkondiging uiteindelijk door Herodes gevangen genomen is. Daarna pas vertelt hij over de doop van Jezus, en hij doet dat zonder naar Johannes te verwijzen: ‘toen al het volk gedoopt werd en ook Jezus was gedoopt en in gebed was, ging de hemel open...’. De andere evangelisten maken er een heftige ontmoeting van, een bijzonder geladen kruising van wegen. Lucas weet dat Johannes Jezus moet hebben gedoopt, maar maakt Johannes door zijn vertelwijze tot een afwezige bij het tafereel van Jezus’ doop. Alsof hij wil benadrukken dat de nieuwe orde van het evangelie wél vanuit de oude orde is aangekondigd en verwacht, maar niet uit de oude orde is voortgekomen. ‘De wet en de profeten gaan tot Johannes; daarna wordt het koninkrijk van God verkondigd’(Lucas 16:16). Johannes vertegenwoordigt het oude verbond dat zich opent naar het nieuwe, maar dat niet zelf het nieuwe produceert.
Johannes roept met zijn waterdoop de mensen tot inkeer, omdat de Komende met Geest en vuur zal dopen. Dat lijkt in de woorden van Johannes nog lang geen verwijzing naar het wonder van Pinksteren, waar de Geest mensen tot elkaar brengt en het vuur hen niet verzengt. De Doper verwacht van de Komende de grote zuivering, het oordeel waarin korte metten wordt gemaakt met het kwaad. De doop met water is nog maar het voorspel op de vuurdoop, een manier om je op het eigenlijke voor te bereiden.
Alle evangelisten hebben er oog voor gehad dat de Jezus die zich bij Johannes komt laten dopen, zo volstrekt anders verschijnt dan de Doper het zich had voorgesteld. Hij zet niet de wereld in brand, maar laat zichzelf onderdompelen, uitdrukkelijk ‘met alle mensen mee’. Hij gaat niet met de bezem (de wan, de bijl, het vuur) door de wereld, maar raakt de mensen aan met Gods ontferming. Hij is niet een ascetische profeet die zich verre houdt van het geleefde leven, maar verkeert kwetsbaar temidden van de mensen, als deelnemer aan hun bestaan. Het zal Johannes grote moeite kosten, in deze Gekomene degene te herkennen die hij zelf heeft verwacht en aangekondigd.
Lucas vertelt nauwelijks de doop zelf: dat is maar een inleidende bijzin voor het eigenlijke tafereel, dat ik pleeg aan te duiden als de ‘handkus uit de hemel’. De hemel opent zich, een duif daalt neer en er klinkt een stem. Misschien openbaart zich hier wel het grootste contrast met wat de Doper verwachtte: de Geest daalt niet neer als een laaiend vuur maar teder, als een duif, een liefdesverklaring, een hemelse handkus.
Over de woorden die dat gebaar vergezellen zijn de handschriften het niet eens. Volgens enkele oude handschriften citeert de Hemel hier Psalm 2,7: ‘Mijn zoon ben jij, heden heb ik je verwekt’ – dat zou de adoptiaanse opvatting versterken dat Jezus pas vanaf dit moment ‘Zoon van God’ is, maar als Lucas het zo bedoeld zou hebben, zou hij dan zijn eerste twee hoofdstukken geschreven hebben zoals hij het heeft gedaan? De meerderheidsvariant, die ook aansluit bij de synoptici, knoopt op aangrijpende wijze aan bij de binding van Isaäk (Genesis 22). Daarginds werd van Abraham gevraagd om zijn zoon te nemen, zijn enige, die hij liefhad – en op die formulering varieert nu de stem uit den hoge. Dat suggereert dat de Eeuwige hier zelf het onmogelijke zal doen wat Hij toen van Abraham vroeg: het geliefde mensenkind prijsgeven. Daarmee wordt de weg van het Koninkrijk in radicaal andere categorieën getekend dan die de Doper enkele zinnen eerder nog in gedachten had.
Toch heeft de Doper gedaan wat hij doen moest. Alle vier de evangeliën brengen zijn missie in verband met de profetenlezing van vandaag, Jesaja 40:1-11 – al citeren ze niet allemaal precies hetzelfde gedeelte daarvan. Centraal in de perikoop staat de oproep om ruim baan te maken voor de komst van de Eeuwige. De metafoor die gebruikt wordt, is die van een heraut die oproept om de weg breed en begaanbaar te maken vanwege de komst van een vorst. Kuilen moeten volgestort, hobbels vlak gemaakt, en de vorst die komt is zó groot dat ditmaal zelfs de bergen hobbels zijn en de dalen kuilen: de hele schepping wordt zijn heerbaan. Des te groter is voor Johannes de Doper het contrast, tussen die verwachte mega-komst en de gewone man Jezus die met de mensen mee komt voor zijn doop.
In de Jesaja-perikoop wisselen overigens beelden van overweldigende grootheid en beelden van tedere nabijheid elkaar af. Degene voor wie bergen en dalen hobbels en kuilen zijn, is tegelijk degene die de lammeren op de arm neemt. De Doper lijkt zich vooral geörienteerd te hebben aan de verpletterende kant van de profetie, terwijl Jezus als de Komende meer appelleert aan de barmhartige kant ervan.
Als we ook de Psalm van de zondag erbij betrekken, brengt die de doop op een boeiende manier in beeld. Het eerste deel van die scheppingspsalm gaat in allerlei toonaarden over water, en al die waterbeelden komen in de doopsymboliek voor. De Eeuwige legt de grote vloed aan banden en is de gever van fris drinkwater. Het verzwelgende water heeft Hij getemd, het levengevende water laat Hij uit bronnen stromen. Het water van de doop is in de christelijke traditie een beeld van beide ineen: de grote vloed waaruit we als verloste drenkelingen mogen opstaan, en het frisse water waarmee we als gasten worden welkom geheten. Ook hier zal de Doper meer aan het eerste hebben gedacht, en vertelt het verhaal van Jezus meer in termen van het tweede. Maar beide horen bij het grote verhaal van God en de mensen.
Piet van Veldhuizen