dr Piet van Veldhuizen
Joël 2:21-27 en Openbaring 21:10-27
De lezingen geven twee verschillende beelden van de volheid van het bevrijde bestaan. In beide teksten hangt die volheid samen met het gegeven dat de Eeuwige bij de mensen woont. Ze bieden zo een aanloop op het Pinksterfeest: feest van de vervulling, van bevrijde mensen die volstromen met Gods aanwezigheid.
In de profetie van Joël wordt de volheid vooral in agrarische termen geschilderd: rijke vrucht aan de bomen, dorsvloeren en perskuipen met een overvloed aan koren, wijn en olie. Het herinnert eraan dat ook het naderende Pinksterfeest vanouds een oogstfeest was. De spoken van armoede, honger en dorst worden verjaagd, niet met afgepaste porties maar met overvloed waaraan je je vol vreugde overgeeft.
In de woorden van Joël deelt heel de aarde in de volheid die komt als God zijn volk verblijdt met zijn aanwezigheid. In de eerste zinnen wordt niet ‘het land Israël’ bevrijdend toegesproken, maar de adama, de aarde, en in de tweede zin de bahamot, de dieren. De hele schepping leeft ervan op als de Eeuwige in het midden van Israël is.
In Openbaring wordt diezelfde volheid niet in agrarische, maar in ‘urbane’ termen geschilderd: het visioen tekent een stad, een woonplaats, een wereldcentrum, een glanzend en stralend middelpunt.
Zoals bij een visioen past, kun je het beeld niet vastleggen in één tekening. Op het ene moment is de stad een zeer uitgestrekt vierkant vlak, op het andere moment is het een volmaakte kubus, zoals het heilige der heiligen in de tempel een kubus was. De stad is onmetelijk en meetbaar tegelijk: een gidsengel met een gouden riet meet een totaal van twaalfduizend stadiën – een afstand als van Amsterdam tot Lissabon, maar het wordt niet duidelijk wat hij precies heeft gemeten.
Maar het gaat natuurlijk niet om afmetingen. Het gaat om het getal twaalf in diverse overtreffende trappen: het getal van de volheid, van heel de schepping, van een Israël waarin met twaalf stammen heel de schepping getalsmatig in beeld is. Daarom fluctueert het beeld van de stad in dit visioen, van tastbaar overzichtelijk tot wereldomspannend, van een kunstig object tot een bewoonde wereld.
Twaalf poorten, twaalf fundamenten, twaalf verschillende edelsteensoorten: het herinnert aan de twaalf edelstenen op de hogepriesterlijke efod die de stammen vertegenwoordigen, en aan de twaalf namen op zijn schouderstukken. De kostbaarheid van de stenen verbeeldt hoe kostbaar die namen zijn, en de mensen die erachter schuilgaan, als de hogepriester ze samenbrengt in de aandacht van de Aanwezige.
In sommige zinnen van het visioen is de stad een sprookjesachtig juweel, met poorten van reuzenparels en straten van transparant goud. Dat zou ‘in het echt’ de leefbaarheid van een stad niet bepaald ten goede komen, maar het zijn dan ook symbolische eigenschappen die je niet bij elkaar moet optellen, omdat ze elkaar afwisselen zoals dat in dromen gebeurt.
De stad is een toonbeeld van volheid: een samenhangend geheel, in zekere zin gesloten maar tegelijk ook wijd open, exclusief én inclusief. De hele wereld komt er langs: vers 24 suggereert dat de stad een middelpunt van een veel grotere wereld is, zoals het nieuwe Sion van de profeten een stralend centrum is waar alle koningen en volken op bezoek komen. Maar tegelijk komt alleen binnen wie in het levensboek van het Lam staat geregistreerd, boosdoeners en leugenaars komen er niet in: het kwaad is nog altijd denkbaar, maar het is ook uitgesloten. Je kunt ook op dit punt de geschilderde situatie niet sluitend in kaart brengen. Het doet denken aan Jesaja die meldt dat in het komende goede bestel zelfs de booswicht honderd zal worden: de vraag naar het lot van de boosdoeners wordt er niet mee beantwoord. De ziener is helemaal in de ban van de overvloed van het goede, die het kwaad op dit moment tot een donkere rand maakt, verdreven door het licht, in de marge van wat hij ziet.
Het is een boeiende gedachte dat deze nieuwe stad geen tempel heeft en ook geen zon en maan – het einde van alle religie is er aangebroken, want de Enige zelf is het licht, Hij vervult alles en wordt dus niet meer met een bepaalde plek of een liturgisch centrum geassocieerd. Ook daarin geeft het visioen alleen flitsen of flarden van beeld, want in andere beelden in hetzelfde boek is er juist volop liturgie, geconcentreerd en gecomponeerd rond de Troon.
Deze stad is de bruid van het Lam, zo is in vers 9 gezegd. Dat vers kan daarom misschien maar beter in de lezing worden opgenomen). Hoe groots en stralend en machtig het visioen ook is, deze stad trouwt met het Lam. Niet met de leeuw, de prins op het witte paard, de machtige strijder, de zegevierende held, de absolute kampioen – dat zijn allemaal kwalificaties van Jezus Christus die je in het boek Openbaring ziet oplichten, maar intussen wordt met grote trouw vastgehouden aan die éne gestalte: het gekeelde lam, toonbeeld van weerloze liefde die door de diepte van het lijden is gegaan. Die gestalte, het Lam met doorgesneden keel, is niet een masker dat wordt afgeworpen nu de victorie compleet is. Ze blijft het diepste wezen van de Christus en de diepste inkijk in het hart van God. Alleen aan de zijde van die gestalte komt dat juweel van een stad de wereld binnen.
Piet van Veldhuizen