CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Haggaï 1

Er wordt wel gezegd dat prins Maurits, toen hij in de Tachtigjarige Oorlog de vesting Willemstad aan het Hollandsch Diep bouwde, op grond van bijbelse overwegingen niet aan de bouw van zijn eigen paleisje begon voordat de bouw van de kerk klaar was. Als hij in de stad was, bivakkeerde hij in het raadhuis aan de haven, waar hij ook ruimte had laten maken voor de kerkdiensten zolang de kerk niet af was. Toen in 1608 de kerk voltooid was (bekostigd uit een prinselijke belasting op het regionale bier) bouwde hij een straat verderop zijn eigen woning, die nu nog het Mauritshuis heet.

Haggaï 1 zou dan ook een uitstekende lezing zijn voor de actie Kerkbalans in januari. De profeet spoort zijn toehoorders aan om het bouwen en onderhouden van Gods huis hoge prioriteit te geven. Dat de teruggekeerde ballingen in hun eigen huizen geen geluk en voorspoed smaken, wijt Haggaï aan het gegeven dat ze niet éérst met een gezamenlijke inspanning de tempel herstellen.
Haggaï voert een pleidooi voor de tempel. Dat spreekt niet vanzelf, want profeten hebben zich dikwijls ook als critici van de tempel opgesteld. De tempel als heilige plaats en het offerritueel hebben vaak een vals gevoel van veiligheid gegeven, als de verbondenheid met de Eeuwige werd beleefd als een kwestie van de juiste rituele handelingen, terwijl het ontbrak aan recht en barmhartigheid in het dagelijks leven. Maar in de dagen van Haggaï liggen de zaken anders. De tempel is het symbool van de gezamenlijke verbondenheid met de Eeuwige. Maar dat gebouw is een puinhoop. Als we de gegevens van Haggaï combineren met die van Ezra en Nehemia, kunnen we vermoeden dat tegenslag en tegenwerking ertoe hebben geleid dat het gezamenlijke geloofsproject stil kwam te liggen. Iedereen ging eerst maar eens zorgen voor een eigen huis, een eigen akker en moestuin – en dan zouden ze wel weer zien, als iedereen de eigen zaakjes op orde zou hebben, zouden ze wel weer eens iets aan de tempel kunnen gaan doen.
Haggaï zegt nu, dat het er nooit van zal komen als de volgorde niet wordt omgedraaid. Bouw je eerst samen het huis van de Eeuwige, dan zal ook je eigen huis er wel bij varen. Geef je voorrang aan je eigen boeltje, dan zal die heilloze volgorde alles uithollen, en nooit zul je een gezegend mens zijn.

Als ik de Hebreeuwse tekst van Haggaï doorlees, blijkt één uitdrukking meerdere keren terug te komen. Het betreft de oproep: ‘zet je hart op je wegen’ (simoe levavchem al darcheechem, 1:5 en 1:7) of korter, ‘zet er je hart op’ (simoe levavchem, 2:15 en tweemaal in 2:18). Het is een heel nadrukkelijke en dringende aansporing: kijk nou eens goed waar je mee bezig bent! Realiseer je toch eens hoe het met je gaat! Of in ronder Hollands: Waar ben je nou eigenlijk mee bezig? Sta eens stil, kom tot bezinning.

Dat is een vraag waarvoor in onze huidige samenleving ook alle reden is. Wij worden niet geteisterd door droogte, en de economische crisis moeten we ook maar niet te snel duiden als een gesel Gods. Maar dat we nooit genoeg zullen hebben en nooit zullen gaan stralen als ieder voor zich blijft gaan, dat is wel zeker. En dat ieders eigen geluk erbij gebaat is als we eerst aandacht geven aan wat ons gezamenlijk heilig is, lijkt me ook vandaag een geldige stelregel. De epidemische verongelijktheid die delen van onze samenleving in de greep houdt, zal alleen maar toenemen waar we niet boven onszelf uitgetild worden in een gemeenschappelijk project, in een geloofsbelijdenis met de daad.


Het valt me op dat Haggaï de Eeuwige consequent ‘JHWH Tsevaot’ noemt, JHWH van de legermachten. Dat zou ermee kunnen samenhangen dat het de joodse teruggekeerden in Judea ontbreekt aan een gevoel van kracht, aan zelfbewustzijn en moed. Ze zijn in hun Jeruzalem-project vastgelopen. Een wirwar van machinaties en sabotage, administratieve en politieke tegenwerking, heeft de grote droom van de terugkeer in desillusie doen verkeren. Nergens hebben ze op dit moment bondgenoten die hun droom ondersteunen, behalve misschien een joodse achterban in Tweestromenland – maar dat is geen strijdmacht die zijn wil kan doorzetten tegen alle tegenstand in.
Als Haggaï nu woorden van God brengt, wordt die God telkens genoemd bij zijn meest strijdbare naam, een naam die een even onstuitbare als ontastbare troepenmacht suggereert. De fragiele joodse onderneming daar in Jeruzalem, afgebroken door een teveel aan tegenstand, kan volgens deze Godsnaam rekenen op hemelse rugdekking. Zolang de mensen zich op zichzelf teruggeworpen voelen, zullen ze alleen proberen om dan tenminste het eigen hoofd boven water te houden, ieder voor zich. Om uit hun huizen te komen en de draad van de droom weer op te pakken, moeten ze zich omgeven weten door steuntroepen – door de kracht van de Eeuwige.

Dat het weer tot daden komt, tot aanpakken, dat het bloed weer gaat stromen in een gezamenlijk project: die beweging wil Haggaï op gang brengen. Misschien is dat wel de reden dat in de aanhef van elke profetie wordt gezegd dat de woorden van JHWH komen ‘door de hand van’ (bejad) Haggaï, en niet ‘door de mond van’. De uitdrukking suggereert ook dat hij zelf klaar staat om aan te pakken, dat hij preekt met opgestroopte mouwen. Hij brengt geen ideeën, hij brengt beweging.
Om die beweging gaat het. Als later de tempel klaar zal zijn en als ooit de hele offermachine en alle rituelen weer op volle toeren zullen lopen, zullen andere profeten weer moeten betuigen dat de Eeuwige niet fabrieksmatig en routineus gediend wil worden. Ooit zal iemand de hele handel in dat oord een keer grondig overhoop gooien (de ‘tempelreiniging’) en zal er een nieuw besef moeten komen dat God niet vastgebakken zit aan dit project van hout en steen en wetten en regels. Die kanttekening geldt ook voor onze kerken en onze eredienst. Maar er zijn ook momenten als dat van Haggaï, wanneer het samen aanpakken geblazen is omdat er op ‘ieder voor zich’ geen zegen kan rusten.

Piet van Veldhuizen