Assepoester
Over magie en innerlijke kracht.

Verschenen in Interpretatie van oktober 2005, pp. 11-13

Terug naar het overzicht

In sprookjes gebeuren wonderlijke dingen. Er wordt getoverd en behekst, er klinken spreuken en magisch aandoende refreinen, en de hele natuurlijke werkelijkheid geeft wonderbaarlijke tekenen van betrokkenheid bij de zaak waarom het in het sprookje draait. In sprookjes is, net als bij God, niets onmogelijk.

Dat maakt sprookjes aantrekkelijk voor kinderen en voor verhalenvertellers, die zich niet willen laten opsluiten in de werkelijkheid zoals we die met elkaar gedefinieerd hebben, in wetenschappelijke, sociale, economische, politieke en wereldbeschouwelijke termen. Om dezelfde reden geloven verlichte volwassen doorgaans niet in sprookjes, zoals ze doorgaans ook niet in God geloven tenzij Hij wordt ontdaan van elk verhaal waarin Hij een rol van betekenis zou spelen. Sprookjes en God - ze zijn een belediging voor de wetten waarin wij de werking van het universum en van het leven op formule hebben gebracht. Als niets onmogelijk is, kan alles, en dat kan niet.

Nu is het maar de vraag of in sprookjes alles kan. Op magische momenten treden in sprookjes de wetten van de fysica terzijde en worden de regels van de sociale orde opengebroken, maar zulke momenten treden in de verhalen niet willekeurig op. Wat in sprookjes niet kan, is dat het kwade uiteindelijk zou worden beloond en het goede afgestraft. In het universum van de volksverhalen heerst een metafysische en morele orde die maakt dat lang niet alles kan.

We hebben het hier over sprookjes en volksverhalen in de vorm waarin ze serieus werden genomen, zoals in de verzameling van de gebroeders Grimm. Als sprookjes als kinderverhaaltjes worden doorverteld, moraliserend of romantiserend, gaat de structuur en de diepte van de verhalen gemakkelijk verloren. Dan blijven de tovermomenten over als een zinloos magisch vuurwerk. Met de hoofdpersoon komt het dan na enig onschuldig spektakel goed, zonder dat er wezenlijke keuzes zijn gemaakt. Toen ik het Assepoester-verhaal onlangs met een groep senioren besprak, bleek dat vrijwel niemand de scherpe kantjes van het verhaal er ooit bijverteld had gekregen. Het was nieuw voor hen dat, zoals de gebroeders Grimm vertellen, de stiefzusters het mes in hun eigen tenen en hielen zetten om het magische schoentje te kunnen aantrekken, en dat de behulpzame duifjes aan het einde van het verhaal tijdens de huwelijksplechtigheid de beide ogen van de stiefzusters uitpikken: het éne oog bij de ingang van de kerk en het andere na kerktijd.

Assepoester blijkt vooral bekend te zijn in de versie van Charles Perrault, die ook ten grondslag heeft gelegen aan de animatiefilm van Walt Disney (Cinderella). Dat is weliswaar de oudste opgetekende versie van het sprookje (1697), maar als een vroeg product van de verlichting biedt het een moraliserend kinderverhaal. Daarin is Assepoester vooral lief en passief. Haar petemoei is een toverfee die ervoor zorgt dat alles goed komt. Zo wordt de lieve gehoorzaamheid van het meisje beloond, en dat is dan ook de hele moraal van het verhaal. Achter de magie gaat bij Perrault, zeker in vergelijking met het verhaal van de gebroeders Grimm, nauwelijks een raadsel schuil: het is een goedkoop wondermiddel waarmee de auteur zijn moraal kracht bijzet. De luisteraar die medelijden met Assepoester heeft, kan er alleen maar blij mee zijn, maar wordt niet op het spoor van een verborgen orde gezet. De Assepoester van Perrault wijst niet een weg in het leven, want ze maakt binnen het verhaal hoegenaamd geen keuzes. Ze is een slachtoffer dat lijdzaam afwacht tot de toverfee komt, en de prins op het witte paard. Zo kon in de vroege tachtiger jaren een boek over de angst van vrouwen voor onafhankelijkheid verschijnen onder de titel: het Assepoestercomplex.i De schrijfster, Colette Dowling, zag Assepoester als het model van de vrouw die afwacht tot een ander zich over haar ontfermt, omdat ze bang is om zelf het waagstuk van haar bevrijding of emancipatie aan te gaan. Het sprookje van Perrault is op dat punt louter rolbevestigend.


De gebroeders Grimm hebben het Assepoester-verhaal ruim een eeuw na Perrault uit de mondelinge overlevering opgetekend. We zullen nooit precies weten hoe ver de hand van de verzamelaars het verhaal mee heeft gevormd, maar het heeft meer mythische kracht dan de versie van Perrault en het toont Assepoester eerder als iemand met een grote innerlijke kracht, dan als een slachtoffer dat maar moet afwachten. Het gelukkige einde komt niet zomaar uit de toverstaf van een barmhartige fee rollen, maar het is de bekroning van keuzes en initiatieven van het meisje zelf. De magische orde redt niet een slachtoffer uit haar ellende, maar komt iemand tegemoet die zelf een spoor volgt.

Het geheim van Assepoester is in deze versie de verbondenheid met haar gestorven moeder, die tegelijk een verbondenheid met de hele natuur lijkt te zijn. Ze gaat elke dag naar haar moeders graf om uiting te geven aan haar verdriet, en haar goede gedrag is de manier waarop zij trouw is aan de gedachtenis van haar moeder. Dat betekent dat de vijandige omgeving van stiefmoeder en stiefzusters voor haar niet de hele werkelijkheid is. Ze laat zich niet volledig door die onmiddellijke realiteit bepalen, maar houdt bij het graf voeling met de wereld van haar moeder, die beloofd heeft om altijd vanuit de hemel op haar neer te zien.

Het eerste keuzemoment dient zich aan als de vader op reis gaat en zijn dochters laat kiezen wat hij voor hen zal meebrengen. De stiefzusters kiezen mooie kleren en sieraden. Assepoester vraagt haar vader om een takje dat op de terugreis tegen zijn hoed zal stoten. Ze gaat niet de wedloop met aar stiefzusters aan, die haar eerder haar mooie kleren hadden afgenomen en die nu voor zichzelf naar nog meer uiterlijke verfraaiing streven. Ze ontvangt een takje van de hazelaar, dat ze op het graf van haar moeder plant en met haar tranen bevochtigt. Zo groeit het uit tot een boom. Ze blijft voeling houden met haar eigen verdriet, en dit gaat gepaard met verbondenheid met de geheime kracht van de natuur. Een grotere tegenstelling met het cynische en ontwortelde materialisme van haar huisgenoten is niet denkbaar. Assepoester bezoekt het graf driemaal daags om te bidden en te huilen. Een wit vogeltje in de boom werpt haar daar alles toe wat ze wenst, maar blijkbaar gebruikt ze die mogelijkheid niet om zich van rijkdom en uiterlijk vertoon te voorzien.

Dan komt het feest, het grote bal dat je niet missen mag. Het staat symbool voor deelname aan het leven, voor een toekomst onder de mensen. Het is het moment van ‘nu of nooit’. Assepoester wil er heen, maar thuis mag ze alleen haar zusters helpen bij het kammen en kleden. Als moderne lezer zou ik haar op dat moment graag in opstand zien komen, graag horen dat ze dienst weigert, of wraak neemt door een kapsel te saboteren. Maar als ze gedwee haar zusters in de kleren helpt, weet ik niet zeker of dat uit voorbeeldige gehoorzaamheid is. Haar kracht en mogelijkheden liggen elders, en als ze wil dat haar moment komt, moet ze nu het spel meespelen. Assepoester gaat geen gevecht aan dat ze niet kan winnen. En wraakzucht is er niet bij, misschien wel vooral omdat ze dagelijks haar verdriet de ruimte geeft. Wraakzucht en ressentiment passen meer bij verdrongen verdriet dan bij de getijden van smart die Assepoester dagelijks aan het graf onderhoudt.

Als het meisje vraagt of ze ook naar het feest mag, krijgt ze tot tweemaal toe voorwaardelijke toestemming. Ze moet eerst linzen uitzoeken die haar stiefmoeder in haar pesterigheid in de as heeft gegooid. Je leest er gemakkelijk overheen, maar op dat moment neemt Assepoester een belangrijk initiatief. Ze gaat naar buiten en roept de vogels te hulp. Ze sluit zich niet op met haar ellende, ze weet dat ze dit alleen niet klaren kan en ze weet ook dat ze bondgenoten heeft. Ze doet wat voor velen van ons één van de moeilijkste dingen in het leven is: om hulp vragen. Via de achterdeur komt de hulpverlening binnen. Assepoester leeft in een wereld waar haar huisgenoten geen enkele weet van hebben.

Als alle opdrachten zijn uitgevoerd, mag Assepoester toch niet mee. Maar als iedereen weg is gaat ze naar het graf van haar moeder, en nu pas maakt ze gebruik van het feit dat ze onder de toverhazelaar kan krijgen wat ze wil. Ze is met deze mogelijkheid in dagelijks contact gebleven, maar ze heeft haar moment afgewacht. Nu worden haar de mooiste jurken en schoenen toegeworpen, zodat ze als een prinses op het bal verschijnt en op drie achtereenvolgende dagen de hele avond danst met de prins.

In het verhaal volgens Perrault is de toverkracht om middernacht uitgewerkt, zodat Assepoester goed op de klok moet letten en bijtijds moet ontsnappen omdat anders de waarheid aan het licht komt dat ze eigenlijk helemaal geen prinses is. In de Grimm-versie wil Assepoester zelf naar huis. Ze brengt zelf haar mooie kleren terug op het graf. Tot driemaal toe weet ze te ontsnappen aan de prins die haar thuis wil brengen, en lukt het haar om zich in haar oude kleren te slapen te leggen voordat haar stiefmoeder en stiefzusters thuiskomen.

De vraag is wel, waarom ze de vlucht neemt. Is ze bang dat ze alsnog wordt afgewezen als duidelijk wordt waar ze woont en welke positie ze in het huishouden bekleedt? Is ze bang dat zoveel geluk haar niet beschoren kan zijn, bang voor teleurstelling, voor de straf die op overmoed volgt? Is het omdat ze genoegen wil nemen met haar moment van geluk, omdat ze weet dat je niet het onderste uit de kan moet willen hebben? Of wil ze het geheim in stand houden tot een moment suprême? Kortom, ik weet niet of ik haar nachtelijke ontsnappingen moet duiden in termen van kracht of juist van zwakheid, in termen van vertrouwen of juist van vrees.

Wel is het treffend dat ze volgens het verhaal de eerste keer vlucht in de duiventil en de tweede keer in een perenboom. Uit de cultuurwereld van het bal, de manieren en de kleren vlucht ze in de natuurwereld van de vogels en de bomen, die niet de natuur vertegenwoordigen in de moderne zin van het woord, maar de geheimzinnige wereld buiten de menselijke greep, het diepere en wijdere en hogere. Door haar piëteit is Assepoester in die grotere wereld thuis.

Als de prins erin geslaagd is om een schoentje van zijn geheimzinnige droomprinses te bemachtigen, mag Assepoester even naar de achtergrond verdwijnen. De lezer weet wie de schoen past, en krijgt vóór de ontknoping nog een onthullend beeld van de stiefzusters en hun moeder voorgeschoteld. Ze zijn vastbesloten om zich het geluk toe te eigenen, en kunnen daardoor niet verder kijken dan hun neus lang is. Op advies van hun moeder snijdt de één eigenhandig haar tenen af en de ander haar hiel, om maar in het schoentje te passen. Het ontgaat hun blijkbaar dat ze op die manier, zelfs als de list slaagt, nooit met de prins zullen kunnen dansen.

Het zijn de witte duiven in de toverhazelaar die de prins er in beide gevallen op wijzen dat er bloed uit het schoentje druipt. Diezelfde vogels strijken op de schouders van Assepoester neer als de prins haar uiteindelijk heeft gevonden. Op de dag van de bruiloft pikken ze, zoals gezegd, de zusters hun ogen uit. Dat is een straf met mythische allure, omdat de blindheid waarmee de zusters worden geslagen beantwoordt aan de verblinding waarin ze hebben geleefd. Of anders gezegd: ze zullen nu pas moeten leren dat er ook een innerlijk oog is, dat er een andere werkelijkheid is dan het glamourland waaraan ze met hun ogen verslingerd waren.


In sprookjes kan niet alles. De witte vogels met hun magische mogelijkheden spelen een grote rol in de Grimm-versie van het Assepoesterverhaal, maar ze worden er niet te pas en te onpas bij gehaald. Het is Assepoester zelf die met haar keuzes en met haar grondhouding de communicatie met de diepere en hogere werkelijkheid zoekt, en het ‘wonder’ in het verhaal is dat haar keuzes en houding door die werkelijkheid worden beantwoord. De magie treedt op als teken van die andere orde die schuilgaat in de wereld die ons omringt. Assepoester is degene die in overeenstemming met die orde leeft, niet zozeer met haar onderdanigheid of gehoorzaamheid, maar vooral door haar piëteit, haar verdriet, haar moed om de deur open te zetten voor hulp van buiten, en haar besef van grenzen en van tijd. De magie treedt in het verhaal op om waar te maken wat christenen belijden: dat alle dingen meewerken ten goed van degene die in geloof leeft, die met de verborgen orde van de Schepper communiceert en open is voor de verborgen orde van de Verlosser. Zo is de magie uitdrukking van de idee dat die diepere werkelijkheid, transcendent en immanent, geen abstractie is, maar de werkzame grond van ons bestaan. Ze bevestigt dat het zin heeft om, met de woorden van de gebroeders Grimm, ‘vroom en goed’ te leven, om daarin geduld te oefenen en consequente keuzes te maken.

Op deze manier is het Assepoester-sprookje een sterk verhaal ter ondersteuning, bijvoorbeeld, van mensen in armoedesituaties. Mensen voelen zich dikwijls een soort Assepoester, iemand die aan het kortste eind trekt, die alle omstandigheden tegen heeft, die de kans niet krijgt om uit de grauwe ellende te ontsnappen – iemand die moet toezien terwijl de anderen naar het feest gaan. Maar Assepoester is juist de figuur die zich niet door haar slachtofferschap laat bepalen, en die haar werkelijkheid niet laat reduceren tot wat anderen haar aandoen. Ze ontleent kracht aan een wijdere werkelijkheid waartoe ze toegang heeft door eerlijk een plaats te geven aan haar verdriet. Ze wil ook naar het bal en droomt van mooie kleren, maar ze erkent ook andere waarden die haar de kracht geven, haar tijd af te wachten en de juiste bondgenoten te kiezen. Ze bijt niet, zoals zoveel mensen in armoedesituaties, eenzaam en verbeten vast in haar noodlot, maar treedt naar buiten en haalt hulpkrachten binnen. Dat is precies wat wij in onze noodsituaties dikwijls veel te laat doen. Ze is, per saldo, een mens met genoeg zelfrespect om in haar knelsituatie niet reactief te handelen, maar haar eigen spoor te volgen.

Piet van Veldhuizen

pi.veldhuizen@caiway.nl

 

Terug naar het overzicht

iColette Dowling, The Cinderella complex: women’s hidden fear of independence. New York 1981.