De boom en de berg in Markus 11
Over de vervloeking van de vijgenboom in het Markus-evangelie. Verschenen in het tijdschrift Interpretatie van januari 1997, pp. 15-17.

Terug naar het overzicht

1. Inleiding.

In het Markus-evangelie staat een verhaal in twee afleveringen, dat meestal wordt aangeduid als "de vervloeking van de vijgeboom". Jezus heeft honger. Hij ziet in de verte een vijgeboom, loopt erheen en zoekt tussen de bladeren. Hij vindt geen vruchten, omdat het daar nu eenmaal de tijd niet voor is, maar meteen spreekt hij een vloek over de boom uit (vs 12-14). De volgende dag blijkt de boom volledig verdord te zijn. Als een van zijn leerlingen op dat feit de aandacht vestigt, reageert Jezus met enkele uitspraken, waarin het notabene lijkt te gaan over de samenhang tussen geloof, gebed en vergeving (vs 20-25).

Waarom vervloekt Jezus een boom die zijn honger niet stilt? Het verhaal zelf vertelt dat het niet het jaargetijde van de vruchten is! En hoe kan Jezus juist bij dit destructieve wonderteken aanknopen met woorden over de 'kracht van het geloof'? Hoe kan hij zijn leerlingen vermanen, eerst te vergeven als ze gaan bidden, terwijl hij zojuist in een opwelling van drift een vernietigend vloekwoord heeft gesproken?

Je kunt de kwestie oplossen met twee eenvoudige antwoorden: Ten eerste, het vijgeboomverhaal is een typische pelgrims-legende rond een dode boom die daar nu eenmaal stond. Ten tweede: in het evangelieverhaal zijn de losse woorden en verhalen niet altijd even handig aaneen gehecht.

Maar je kunt ook vermoeden dat de auteurs en redacteuren van het evangelie wisten, waarom ze het zó deden. Dan moet je proberen, beter naar het geheel te kijken.

2. Het schema van tijd en verplaatsing

Er wordt in het Markus-evangelie heel wat afgelopen. De overgangen tussen de verhalen worden heel vaak gemarkeerd met het gegeven, dat de handelende personen ergens komen of (in-, uit-, weg-)gaan.

In de eerste helft van het Markus-evangelie speelt alle komen en gaan zich af in Galilea, waar Jezus thuis is (9,33). Daarna wordt in een lang hoofdstuk 10 koers gezet naar Jeruzalem. Nog steeds worden de verplaatsingen vooral in de overgangszinnen tussen de scènes gemeld. Maar nu speelt bovendien de weg van Jezus en het gaan met hem mee een rol in veel van de vertelde stof. De lijdensaankondiging midden in het hoofdstuk (10,32-34) identificeert de weg naar Jeruzalem met de weg van het lijden.

In hoofdstuk 11 wordt het doel van de reis bereikt. Vs 1 geeft de contouren aan van het toneel, waarop de verdere gebeurtenissen zich zullen afspelen: Jeruzalem, Betfage ("Vijghuizen"), Betanië, de Olijfberg. Het terrein van actie wordt betreden, de "intocht" brengt Jezus aan de poorten van de stad.

Maar dan volgt er een heen-en-weer en in-en-uit. Driemaal zien we Jezus naar binnen gaan, waarbij driemaal eerst "Jeruzalem" en dan "de tempel" genoemd worden (vs11.15.27). Daartussenin verlaat Hij tweemaal de stad "als het laat is geworden" (vs11.19). Jezus overnacht niet in Jeruzalem en gaat er ook niet aan tafel (vgl 14,3), totdat Hij er uiteindelijk het pascha eet (14,13vv).

De twee episodes over de vijgeboom hebben allebei plaats als Jezus van zijn nachtkwartier terugkeert naar de stad. Ze geven invulling aan het in-en-uitgaande verkeer van Jezus en zijn leerlingen. Bovendien wordt in de eerste vijgeboom-scène Jezus' ontmoeting met de boom verteld in termen van erheen-gaan en aankomen (vs13). Dat doet vermoeden, dat de vijgeboom-gedeelten onmiddellijk betrokken zijn op Jezus' confrontatie met Jeruzalem.

Naast de verplaatsingen spelen ook de tijdsaanduidingen in Markus 11 een belangrijke rol. Alle in- en uitgaan, waartussen de scènes geordend zijn, is gegroepeerd rond twee overgangen in tijd: van laat naar daags erop (11-12) en weer van laat naar 's morgens (19-20).

Zulke tijdschema's, die zich over meer dan één nacht of dag (éénmaal laat...vroeg) uitstrekken, komen verder in het Markus-evangelie niet voor - behalve in het passieverhaal, de hoofdstukken 14-16, waar het notabene wéér tweemaal van laat naar vroeg gaat: 14:17, 15:1, 15:42, 16:1. Misschien wil het 'tweenachten/driedagen-schema' van hoofdstuk 11 (aan het begin van het Jeruzalemse gedeelte) corresponderen met een zelfde tijdschema aan het einde - temeer omdat aan hoofdstuk 11 de lijdensaankondigingen voorafgaan. Daarin is driemaal sprake van "in drie dagen". De laatste aankondiging, die halverwege onderweg plaatsvindt (10,32-34), noemt het sterven en opstaan na drie dagen regelrecht in het verlengde van het "opgaan naar Jeruzalem".

3. De vijgeboom

Zoals reeds vermeld, heeft de eerste vijgeboom-scène (12-14) nadrukkelijk het karakter van een "opgang": uitgaande van Betanië kreeg Jezus honger; hij zag van verre de boom, ging, kwam bij de boom, en zocht.

De inhoudelijke analogie tussen de weg naar de boom en de weg naar Jeruzalem dringt zich op. Jezus gaat met verwachting, "hongerig" op naar de stad die hij al van verre op het oog heeft, en hij zoekt er iets waarvan we, meelezend met het evangelie (de eerste rondblik heeft plaatsgevonden, vs 11), al voelen aankomen dat hij het er niet vindt. De vijgeboom-scène vráagt zo als het ware om het verhaal van de tempelreiniging.

Maar: "De tijd was niet die voor vijgen" (13). Wordt dat erbij verteld om aan te geven dat het Jezus niet om maagvulling, maar om de zinnebeeldige betekenis van zijn honger te doen is? Of gaat het bovendien om een onheilspellend contrast? Als Jezus op die boom, waarvoor het de tijd (kairos) niet was, zó vernietigend reageert, hoe zal hij dan op de stad reageren, die hij hunkerend binnenkomt. Want als het rijk van God nabijgekomen is (1,15) en de drager van dat rijk is Jeruzalem nabijgekomen (11,1), dan kan het niet anders, of daar is het wél de tijd (kairos) voor vruchten. De relatieve 'onschuld' van de boom moet de spanning dus nog verhogen: wat staat straks de stad te wachten..

Jezus vervloekt de boom als in een driftige opwelling: "Moge nooit in eeuwigheid van jou iemand meer vrucht eten" (14). Zonder inleiding of commentaar. En de leerlingen - die zijn erbij en horen het. Er is geen uitwisseling van gedachten. Een beklemd zwijgen lijkt hen (en mét hen de lezer) van Jezus te scheiden als we Jeruzalem binnengaan. Zó gaat het naar de tempelreiniging toe.

Het gesprek naar aanleiding van het gebeurde komt pas los tijdens de volgende gang naar de stad. Dan is de vijgeboom verdord. Jezus' toorn blijkt vernietigend te zijn. Nu wordt de verbijstering geuit: "Rabbi, kijk.." (21) - en Jezus reageert. Er moet bij de boom worden stilgestaan, voordat Jezus definitief de stad binnengaat.

Daarbij gaat het naar mijn overtuiging om een tegenstelling: Jezus toont aan de boom zijn macht om vernietigend op te treden. In de stad lucht hij weliswaar in de tempelreiniging zijn hart, maar dat is eerder een constructieve dan een destructieve daad: hij vloekt niet, maar leert (17) - en terwijl anderen het vernietigende vonnis over hem vellen (18), trekt hij zichzelf als de minste uit de stad terug.

Je had je, bijvoorbeeld met de hartstocht van een Petrus, de confrontatie van Jezus met Jeruzalem ook anders kunnen voorstellen. Het is dan ook Petrus die blijft staan bij de boom die het alternatief verbeeldt. Dat is het moment voor de woorden van vs 22-25.

4. De woorden

Op het eerste gezicht lijkt het alsof de uitspraken van vs 22-25 zomaar aaneengeregen zijn op grond van een trefwoord: geloof in 22, 23 en 24 en gebed in 24 en 25. In dat geval zou hoogstens het vers over de berg (vs 23) nog iets met de vijgeboom van doen hebben. Het schijnt te zeggen dat de verdorring van de vijgeboom nog niets is vergeleken bij wat een discipel vermag te doen, als hij maar gelooft en niet twijfelt. De berg is zogezegd het sterkere staaltje ten opzichte van de boom. Het vers over de vergeving (25) zou dan wel op een heel ongelukkige plek terechtgekomen zijn. Maar lezende vanuit de eerder aangegeven verbanden kunnen we ook iets heel anders vernemen.

Onderweg naar Jeruzalem, stilstaande bij de boom, horen we over "deze berg hier". Daarmee kan, gezien de beweging waarin het verhaal is begrepen, moeilijk iets anders bedoeld zijn dan de berg van stad en tempel, waarheen Jezus voor de derde maal opgaat. In de volgorde van de woorden "stad" en "tempel" (vs 11.15.27) klonk die opwaartse richting al telkens mee.

"Wie tot deze berg hier zou zeggen: Word opgenomen en in de zee geworpen.." Dat is niet een uitspraak over de kracht van het geloof in de trant van ons spreekwoordelijke 'bergen verzetten'. Het gaat over een vervloeking, net als bij de boom.

"In de zee": Dat is niet om de suggestie van een geweldige plons op te roepen. Het gaat om de zee uit de psalmen, de plek het verst bij God vandaan - om het oergeweld waarin Jezus zijn discipelen niet ten onder liet gaan (4:35-41, 6:45-52).

"Deze berg" de zee in, dat is: het middelpunt van Gods schepping teruggeworpen in de vloed. Het gaat in de woorden van Jezus dus, net als in zijn daad aan de vijgeboom, over een vernietigende mogelijkheid. Deze berg, Gods eigen stad en tempel, zal in de oerchaos ten onder gaan, als je hem met alle hartgrondigheid van je geloof vervloekt.

Wat met de boom is gebeurd, kan ook de berg overkomen, maar met de berg gebeurt het niet. Bij de boom handelt Jezus als in een opwelling: hij poneert zichzelf ten koste van de boom. Met de stad oefent hij geduld. Uiteindelijk laat hij de berg staan ten koste van zichzelf.

Met de woorden over de berg, gesproken bij de boom, verklaart Jezus zijn eigen weg met het oog op het handelen van zijn leerlingen. Je kùnt vervloeken, als je er je hele geloof inlegt - als je "niet twijfelt in je hart". Maar je kunt ook aarzelen, terugdeinzen voor de vernietigende mogelijkheid, de woorden wegen maar ze toch niet uitspreken. En in Jeruzalem blijkt Jezus zelf degene die twijfelt (aarzelt, weifelt), die in- en uitgaat maar dáár niet de vloek spreekt die hij bij de vijgeboom vóór in de mond heeft.

Jezus prijst dus de kracht van het geloof niet aan; hij zegt niet: Geloof, en je zult bergen verzetten! Integendeel, hij waarschuwt ervoor: Geloof kan de wereld op z'n kop zetten! De berg is er weliswaar rijp voor, maar de weg van Jezus is een andere.

"Daarom zeg ik jullie: alles wat je bidt en vraagt, gelooft dat je het ontvangen hebt, en het zal je gebeuren. Wanneer je dus staat te bidden, vergeeft als je iets tegen iemand hebt, opdat ook jullie Vader in de hemelen jullie je overtredingen vergeve." (24-25)

Dit is de lering uit het voorgaande. Navolgers, gaande in het spoor van hun Heer, dienen te weten hoe ze moeten omgaan met hun geloofskracht. Pas in vers 25 krijgt Jezus' toelichting bij de boom een positieve wending.

Wat de leerlingen moeten doen als ze in gebed gaan, dat doet Jezus in feite als hij opgaat naar Jeruzalem: hij aarzelt, en hij vergeeft. Dat die vergeving niet een vanzelfsprekendheid is, maar dat ze een geloofsstrijdbrengt (die voor Jezus een doodsstrijd zal blijken te zijn) - dat blijkt zowel uit Jezus' in-en-uitgaan als uit wat er daartussenin met de vijgeboom gebeurt. De mogelijkheid van de vloek ligt heel dichtbij, ze "ligt voor de hand". De vergeving wordt in een lange worsteling bevochten.

In de laatste woorden van Jezus bij de vijgeboom wordt de verbinding gelegd met het vergeven, dat door de Vader in de hemelen geoefend wordt. Het gaat blijkbaar om een "orde" van vergeving: zó gaat het toe bij de Vader en de Zoon in het nabijgekomen rijk van God, en zó doende voegen leerlingen zich in de orde van dat rijk. En lijkt de vergeving door de hemelse Vader pas te volgen op het vergeven door de leerlingen zelf, de vergeving van Jezus, de Zoon (1,1), gaat voorop.

Jezus' woorden bij de vijgeboom beginnen met drie woorden die ik tot nu toe terzijde heb gelaten: "Hebt geloof Gods" (22). Dat ogenschijnlijk veelduidige zinnetje kan alleen begrepen worden vanuit de uitspraken waarin Jezus het concretiseert.

Het is opvallend, dat binnen vs 22-25 alleen hier een expliciete verbinding wordt gelegd tussen geloof en God. In vs 23 gaat het over "geloven dat wat je zegt geschiedt" en in vs 24 over "geloven dat je ontvangt wat je vraagt". In beide gevallen lijkt het geloof ongekwalificeerd: er is geen criteriumde 'geloofsmogelijkheden' beperkingen oplegt. In die grenzeloosheid ligt ook de mogelijkheid van de verwensing besloten, en daarom brengt de vermaning van vs 25 de beslissende begrenzing aan. Eerst vergeven - eerst wordt precies dat deel van de 'geloofsmogelijkheden' uitgesloten, dat steeds al ter sprake is: de vloek.

Als we nu terugkijken naar vs 22, lijkt het inleidende zinnetje dezelfde inperking van de 'geloofsmogelijkheden' al aan te duiden. "Heb geloof Gods": oefen het geloof (trouw, betrokkenheid) in gemeenschap met, en naar de gezindheid van, God. Je kùnt in geloof de vloek afroepen over de stad die Jezus aan het kruis brengt en zijn leerlingen vervolgt. Maar zo gaat het niet bij God, zo doet Jezus het niet en ook de hemelse Vader niet. Daarom moeten de leerlingen nu 'naar de wijze van God' handelen, geloof Gods oefenen. De afsluitende zin van deze perikoop ("..opdat ook uw Vader in de hemelen..", vs25) sluit het betoog af door het "geloof Gods" van de eerste zin uiteen te leggen in die twee: de vergevende gezindheid van Godzelf en dezelfde gezindheid van de leerling. Die beide zijn één in de gestalte van Jezus die nu definitief Jeruzalem binnentreedt. Ze zijn bestemd om één te worden in de weg van al zijn discipelen.

Piet van Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl

terug naar het overzicht