|
EEN WANDELEND
CITAAT |
Jezus als "Gods adem over de wateren" in Mattheüs 14:22-33
Voor zondag 11 augustus 1996 stond de perikoop van Jezus' wandeling over de zee op het rooster. Een platgetreden pad, dacht ik even, want volgens mijn preektekstenregister had ik er al zes keer eerder een preek over gemaakt: bij begrafenissen, openbare geloofsbelijdenis, een kinderdienst - nooit zómaar, "belangeloos". Daarvoor werd me deze zevende lezing vergund, een sabbatslezing.
Het was me al langer duidelijk dat Jezus niet over het water ging bij gebrek aan geschikt vervoer. Zijn gang over de golven is geen noodoplossing, maar een Godsopenbaring. Zijn woorden in vs 27 onderstrepen dat. Daar zegt hij niet geruststellend: Niet bang zijn, ik ben het maar. Hij zegt veelbetekenend: IK BEN, vreest niet. Als psalmen de macht van deze IK BEN, de God van Israël, bezingen, kom je altijd weer de zee tegen, waarop Hij zijn voeten zet, waardoorheen zijn pad loopt, waaraan Hij zijn wil oplegt. Al gaande over de zee citeert Jezus, onder andere deze psalmen.
Nu, bij de zevende lezing, viel me voor het eerst op hoe in dit verhaal ook Genesis 1 vs 2 meeklinkt. Alsof Jezus en zijn leerlingen bibliodrama doen! Kijk maar: De aarde was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed - onder je het bodemloze water, boven je de inktzwarte nacht, om je heen het geweld van de tegenwind. Chaos waarin het leven tenonder gaat, chaos die schreeuwt om schepping, of juist niet, want ze heeft daar geen weet van.
Maar dan gebeurt het: ..en de Geest Gods zweefde over de wateren. Dat is de kiem van de scheppingsdaden, Godzelf die zich in het midden van de chaos beweegt, om er het licht uit te roepen en ruimte te maken. Zo gaat het in Genesis 1 en warempel, zo gaat het ook in het bibliodrama van Mattheüs 14. Daar is hij, de Geest Gods, de adem Gods, de vleug van Gods stem die zodadelijk zal spreken. Het was de vierde nachtwake, de tijd wanneer het licht op aanbreken staat. En Jezus kwam van de berg afgedaald, hij ging van God uit, als ademtocht en Woord uit zijn mond.
De uitgevers van de NBG-vertaling hebben boven deze perikoop als kopje gezet: Jezus gaande over het meer. Als kinderen van een zeevarende natie moesten ze blijkbaar iets afdingen op de "zee" waarvan in de tekst sprake is. Het landkaartje achterin de bijbel laat zien dat het inderdaad slechts een plas is ter grootte van het Markermeer. Volgens een doorsneekaartje van het Heilige Land is het er wel diep, maar toch verre van bodemloos. Toch is al die geografische wijsheid niet ter zake, en dat neerbuigende kopje haalt Jezus' wandeling op de golven onderuit. Het gaat hier immers niet om het Meer van Galilea, maar om het oergeweld van het begin en om de bodemloosheid van de nachtmerrie. Daar valt niets op te meten of in kaart te brengen: daar is het wachten op bevrijding, ontwaken, toegesproken worden zodat alles van je afvalt!
Een wandelend citaat: vanuit deze invalshoek leg ik welsiwaar de geografische details terzijde - maar de vraag naar de "historiciteit" kan er op een nieuwe manier mee gesteld worden. Want: wie citeert hier eigenlijk uit Genesis 1 vs 2 - Jezus die wandelt, of Mattheüs die vertelt?
Je kunt het citaat zien als een door de evangelist toegepast literair procédé: om uit te drukken wie Jezus is brengt hij al vertellend de oerbegrippen van zee, duisternis en tegenwind samen. Vervolgens laat hij de verlossende ontmoeting met de Christusgestalte temidden van die chaos plaatsvinden. De persoon van Jezus wordt door de auteur citerenderwijs in de Schriften ingeweven.
Maar je kunt het citaat natuurlijk ook zien als een procédé dat Jezus zélf toepast, sprekend zowel als handelend. Hierboven heb ik de term bibliodrama gebruikt om te suggereren, dat Jezus zijn leerlingen hier op een dramatische manier de Schriften voorhoudt. Er is in dat geval nog steeds sprake van een literair middel, maar dat middel is reeds toegepast in de beschreven werkelijkheid: Zoals allerlei gebaren en rituelen een vorm van citeren zijn, waarmee iemand zich hult in de associaties die door dat gebaar worden opgeroepen.
Ik ga ervan uit dat het citerend handelen van Jezus en het citerend vertellen van de evangelist nooit meer zuiver uit elkaar te halen zijn - maar er blijft een boeiend dilemma. Als je in een wondervertelling opeens het Schriftcitaat herkent en je ziet: kijk, aha, dáár komt het dus vandaan - is dat dan een reden om te zeggen: zie je wel, het is niet per se zo gebeurd, het gaat immers om de Schriften - of moet je eerder stellen: het moest precies zó gebeuren, want zó is het een citaat, een zinvolle wijze van uitdrukken.
Ik moet wel aannemen, dat Jezus zelf in het citeren handelend en wandelend is voorgegaan. En dat de evangelisten en apostelen vervolgens, terecht, niet meer van ophouden wisten.
Piet van Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl