Boom van een koning, droom van een koning
Nebukadnezar over zichzelf in Daniël 4
Artikel, verschenen in het tijdschrift Interpretatie van april 2003.

Terug naar het overzicht

Het vierde hoofdstuk van het boek Daniël vertelt een verhaal over koning Nebukadnezar, heerser over het Babylonische Rijk in de 6e eeuw voor Christus. Vanwege een verontrustende droom laat hij alle wijzen en waarzeggers aantreden, maar alleen Daniël, die als laatste komt, kan de droom uitleggen. Daarna wordt ook nog verteld dat de droom uitkomt.

Heel bijzonder is, dat het hele verhaal de vorm heeft van een bekendmaking door de koning zelf. Hij wil dat heel de wereld weet wat hem is overkomen. De allerhoogste God heeft hem een les geleerd die hij in de laatste regel samenvat: "Nu dan, ik, Nedukadnezar, loof en verhoog en prijs de Koning van de hemel, van wie alle daden waarheid zijn en zijn wegen gerechtigheid, en wie hoogmoedig rondlopen - hij is bij machte ze te vernederen"(37).

Die ik-vorm heeft een verwarrend effect. Nebukadnezar, van wie overigens de Irakese leider Saddam Hoessein een afstammeling zegt te zijn, wordt voorgesteld als een absoluut heerser die zichzelf op goddelijke hoogte plaatst. We zijn gewend om hem te zien als de grote onderdrukker, tegenpool van God de Bevrijder. Maar dat hij zelf vertelt hoe hij ten val is gekomen, neemt de hoorder voor hem in. Met dit verhaal, het laatste over Nebukadnezar in het boek Daniël, bewijst hij zich per saldo als een goede vorst.

De spanning wordt in het verhaal knap opgebouwd. De koning vertelt dat hij gedroomd heeft en dat de wijzen die hij liet komen, zijn droom niet konden uitleggen. Wát hij gedroomd heeft, weten we dan nog niet. Dan komt Daniël, die uitgebreid geprezen wordt en om uitleg gesmeekt, en pas daarna horen we eindelijk wat de koning ‘s nachts had gezien.

Hij had gedroomd van een machtige boom, wereldwijd en hemelhoog, schuilplaats en voedselbron voor al wat leeft. Maar uit de hemel daalde iemand af die opdracht gaf, de boom te vellen, zijn loof, hout en vruchten uiteen te slaan, en de stronk in een kluister te slaan. Zo, als stronk, zou de boom niet meer als de mensen maar als de dieren zijn, nat van de dauw en met z’n kop in het gras. De kapvergunning berust op een hemels raadsbesluit, zo besluit de droom, "met als doel dat de levenden zullen weten, dat de Allerhoogste beschikt over het koningschap van de mensen, en aan wie hij wil geeft hij het, zelfs de nederigste van de mensen zet hij erop" (17).

Als lezer heb je het idee dat met die laatste zin de uitleg in grote lijnen al gegeven is. Maar de koning dringt aan op een verklaring. Opnieuw zorgt de verteller voor suspense, door te vertellen dat Daniël zichtbaar schrikt en in verwarring is. Pas als de koning zelf hem over zijn aarzeling heen helpt, begint Daniël aan een verklarende parafrase. We krijgen de hele droom nogmaals te horen, waarbij telkens wordt uitgelegd hoe dit op Nebukadnezar zelf van toepassing zal zijn. Daniël besluit met een klemmende oproep aan de koning om recht en barmhartigheid te doen, opdat er misschien uitstel van het oordeel zou zijn.

Hierna vertelt Nebukadnezar hoe een jaar later de droom werkelijkheid werd. Wandelend op de tinnen van zijn paleis, uitkijkend over zijn rijk en uiting gevend aan zijn grootheidswaan, wordt hij opeens toegesproken uit de hemel. Vanaf dat moment wordt hij een beest, verwilderd en buitengesloten, grazend als een rund. Als hij na de gestelde "zeven tijden" weer bij zinnen komt, is hij voorgoed van zijn hoogmoed genezen en weet hij, dat hij koning bij de gratie Gods is.

Dromende koningen komen we in de Bijbel wel meer tegen. Het feit dat de heerser droomt, houdt op zichzelf al een radicale relativering van zijn macht in. "Een droom zag ik, en ik schrok, gedachten op mijn bed en beelden in mijn hoofd maakten me ongerust" (5). De koning kan beschikken over een uitgestrekt rijk en over talloze mensen, hij kan vijandige legers tegenhouden aan de grenzen en bedelaars weren uit zijn paleis. Maar gedachten op zijn bed en beelden in zijn hoofd, daar kan hij niets tegen beginnen.

Op deze eerste, eenvoudige onmacht volgt een tweede die ingewikkelder is. De koning is in staat om alle geleerden en zieners te laten opdraven. Uit alle hoeken en gaten van zijn rijk komen ze, in de wetenschap dat ze maar beter kunnen gehoorzamen. Maar, lezen we in vers 7, ze gaven de uitleg niet. Waarom niet? Ter hoogte van vers 7 kun je nog denken dat het misschien een heel moeilijke droom was, want de inhoud is nog niet verteld. Maar even later weten we beter. Het is overduidelijk dat de droom een kritisch en onheilspellend licht op de koning werpt. Welnu, er is met uitzondering van Daniël geen geleerde in Babylon die zich eraan waagt om daarover klare taal te spreken.

Dat is de tweede onmacht van de koning, die in zijn overgrote macht besloten ligt: hij kan zijn mensen niet laten zeggen wat ze denken (en wat hijzelf ongetwijfeld ook al denkt), omdat hij zelf een rijk van angst en argwaan in het leven heeft geroepen. Zo gaat het aan de hoven van heersers: er zijn dingen die iedereen weet, maar niemand spreekt ze uit. Zo zou de koning met zijn nachtgedachten en zijn beklemmende dromen alleen zijn gebleven, als Daniël niet was gekomen.

De koning begint en eindigt zijn droomvertelling met het uitspreken van de overtuiging dat "de geest van de heilige goden" in Daniël is (9,18). Die bezieling is, gezien het voorgaande, niet zozeer een kwestie van inzicht, maar vooral van moed om te zeggen waar het op staat. Heel Babylon moet het op dit moment hebben van die éne Israëlitische man, die een volstrekt andere macht dan die van Nebukadnezar erkent, en die daarom durft bevestigen wat de koning natuurlijk al voelt aankomen: dat hij in zijn binnenkamer (en in zijn bovenkamer) tegen de fundamentele grenzen van zijn heerschappij is opgelopen.

Intussen bevat de droom verrassend positieve elementen. Het begint al met de boom als beeld van het koningschap. Een prachtige metafoor, waarin het machtige en reusachtige ten dienste staat van al wat klein en kwetsbaar is, wat schaduw en voedsel nodig heeft. Al wat leeft vindt ruimte in en onder dit centrum van leven.

Maar ook in het oordeel, als de boom is omgehakt en kleingeslagen, blijft er iets positiefs te beluisteren. De wortelstomp wordt in koper en ijzer gekluisterd - dat klinkt opzettelijk hard en pijnlijk, maar ik denk dat het er tegelijkertijd op wijst dat de boom tóch behouden blijft. Een ijzeren ring om een levende boomstronk, dat is om te voorkomen dat hij splijt, tuchtiging met het oog op toekomst. Net zo dubbelzinnig is de dauw. Het klinkt vernederend: wat ooit een schuilplaats voor velen was staat nu zelf blootshoofds in de nattigheid - maar dauw is ook een levengevende kracht.

Bomen en mensen verheffen zich hemelwaarts, terwijl het gras en de dieren aan de aarde gebonden zijn. De koning, boom der bomen, zal nu met het gras kennis maken, hij zal als de dieren zijn. Gek genoeg houdt hij ook dan iets van zijn grootsheid, want grazend als de runderen heeft hij de haardos en de klauwen van een arend (32).

De vernedering van de dictator is niet zomaar een straf, niet zomaar een maatregel om zijn eer aan te tasten. Het heeft te maken met een verticale oriëntatie die sterk in het verhaal aanwezig is: hemel en aarde, verhoging en vernedering. Net als de toren van Babel groeit de boom tot in de hemel, en evenals in Genesis 11 wordt er dan uit de hemel afgedaald om die beweging een halt toe te roepen. Zoals daarginds de mensen, zo worden hier de vogels en de dieren verspreid en de vruchten verstrooid. Maar vooral wordt het beginsel van de boom, zijn stronk, opnieuw bepaald bij de aarde waaruit hij is opgekomen.

Terwijl hij zijn waardigheid verliest, wordt de koning ook opnieuw "geaard", met zijn neus gedrukt op de bodem waarin hij wortelt. Een mens die zich gedraagt alsof hij van de hemel is, wordt een onmens. Hij moet opnieuw de aarde leren kennen, beginnen bij af, een boomstronk in het gras. Zijn macht wordt, in boomchirurgische zin, beknot met het oog op een nieuwe kroon. Hij krijgt na deze operatie, en na verloop van "zeven tijden"(16, 25), al zijn heerschappij terug, maar hij is zelf een ander mens geworden, of gewoon: mens geworden. En zo’n goed-geaard mens mag koning zijn.

Piet van Veldhuizen

pi.veldhuizen@caiway.nl

terug naar het overzicht