|
Heilzaam onderscheid in Lucas 4 vs
33-37 |
Een oefening om door het spook heen te kijken.
Wat in vers 33 van Lucas 4 wordt beschreven is de testcase, of misschien de klassieke nachtmerrie, voor iedere predikant: Je staat op de preekstoel, en midden in je betoog begint één van de toehoorders zomaar tegen je van leer te trekken. Alle hoofden draaien in die éne richting. Je hoeft je zin niet meer af te maken, je moet op deze nieuwe situatie reageren. Hoe doe je dat?
Als ik in Kafarnaum de voorganger was geweest, had ik gehoopt op een doortastende koster of ouderling van dienst die de mens in kwestie met zachte drang zo snel mogelijk uit de zaal had verwijderd. Maar ik besef, dat dan niet alleen de boze geest, maar ook de mens op straat had gestaan.
Een mens die een demonische onreine geest had. Iemand dus, die iets ademde wat niet in de kerk thuishoort maar er toch maar al te vaak voorkomt. Iets kwaadaardigs, iets obsessiefs, iets wat het vieren van de gemeenschap in de weg staat: zo wil ik voorlopig die begrippen demonisch en onrein duiden.
We krijgen in Lucas 4 te horen hoe Jezus met de situatie omgaat, want hij voert op die dag het woord in de synagoge. Mond dicht en wegwezen, roept hij (35). Dat had ik ook kunnen bedenken, maar ik had me dan gericht tot die mens. Het bijzondere is dat Jezus daadwerkelijk onderscheid maakt tussen de persoon en wat die persoon bezielt. De obsessie wordt verjaagd en de mens mag blijven.
Het idee van een mens met een kwade en onreine geest roept bij mij twee verschillende associaties uit de kerkelijke praktijk op. Om te beginnen denk ik aan pastorale ontmoetingen met mensen die in de ban zijn van iets waaruit je ze zo graag zou willen vrijspreken: bijvoorbeeld in de ban van een depressie die als een donkere wolk om hen heen hangt, tastbaar maar ook ongrijpbaar. Je zou die wolk willen wegblazen, wegscheuren, wegbezweren. Nog heviger is dat als je iemand ontmoet die paranoïde is, een mens in de greep van wanen. Je zou wel zo iemand met één machtswoord aan zichzelf willen teruggeven, de ban willen breken, zeker als je na verloop van tijd een idee hebt gekregen van de gave mens die in dat verwrongen bestaan opgesloten zit.
Maar ik denk ook aan iets wat maar al te vaak onder gezonde mensen gebeurt. Ik herinner me een gemeentevergadering die ik als buitenstaander moest leiden. Het ging over een conflict binnen die gemeente, en het leek erop dat ik onpartijdig genoeg was om een aantal zaken bespreekbaar te maken. Maar al bij mijn eerste goedbedoelde woorden, nog voordat ik echt iets had kunne beweren, werd er onverhoeds vijandig gereageerd. Iemand voelde zich blijkbaar aangevallen. Ik zag een gezicht als een masker, een mens die zichzelf niet meer was. Dan is opeens de boze geest los, binnen de kortste keren is niemand meer voor rede vatbaar. Een onreine geest neemt bezit van de mensen, een geest die het vieren van de gemeenschap in de weg staat.
Het lukt op zulke momenten maar al te vaak niet, om onderscheid te maken tussen de persoon en wat haar of hem bezielt. Laat die vent opkrassen, denk je dan. Die hoeft zich hier nooit meer te vertonen, mompelen anderen. Het is intussen wel duidelijk dat eerst die geest moet wijken, voordat het zin heeft om vast te stellen, wat die mens dwars zat.
In de omgeving van Jezus gebeuren alle dingen verhevigd. Er voltrekt zich een scheiding der geesten: als hijzelf in de synagoge verschijnt als degene op wie de geest des Heren is (4:18), profileert zich ook de tegenovergestelde geest los, die van de kwaadaardigheid. Waar de waarheid en goedheid in persoon optreedt, manifesteert het kwaad en de leugen zich ook tastbaar. Dat het kwaad in de evangeliën sprekend kan optreden en in pure vorm verschijnt, ben ik geneigd te verbinden met het gegeven dat Jezus >sprekend God= is, puur goed. In mijn eigen realiteit, te beginnen bij mijn eigen persoon, komen goed en kwaad alleen in mengvormen voor.
Ik stel me voor dat de leer van Jezus voor de luisteraar onthullend is, op het pijnlijke af verhelderend, zodat de luisteraar de ervaring heeft dat hij doorzien wordt. Dat roept enthousiaste reacties op van mensen die het als bevrijdend ervaren (hij spreekt met gezag, 32), maar het wekt ook vijandigheid bij mensen die zich niet willen laten kennen. Er is sprake van heftige afweer, van angst die omslaat in haat. Je ziet het vertrokken gezicht voor je, je hoort de overslaande stem: Wat kom je hier doen? Kom je ons soms kapot maken? (34). Wij zeggen dan: die man is buiten zichzelf en zegt onverstandige dingen, laat hem naar buiten gaan om af te koelen. Maar het verhaal zegt: wat hier spreekt is niet die mens, maar dat wat hem in de ban houdt. Laat de ban gebroken worden, dan kan die mens blijven, midden in de gemeenschap.
Dat is wat er gebeurt: op het machtswoord van Jezus laat de geest de mens vallen, hij gooit hem erbij neer (grieks: riptoo), in het midden, zonder hem te beschadigen (35). Het verhaal vertelt niet hoe het met die mens verder gaat, maar in die ene zin wordt veel gezegd. De mens, zojuist nog een en al razernij, is in elkaar gezakt, het blijkt een weerloos schepsel te zijn en helemaal niet een of andere idioot. Gelukkig blijkt dat niet pas als die mens ziedend en tierend naar huis gelopen is, maar hier in het midden van de gemeenschap. Een uitgeput, maar gaaf mens blijft er achter, temidden van een diep geïmponeerde gemeenschap.
Soms, in pastorale situaties zoals ik die hierboven heb beschreven, ben ik hevig jaloers op het machtswoord van Jezus. Niet vanwege de macht, want zoveel macht kan ik niet aan, ik zou er een griezelig mannetje mee worden. Wél vanwege de nood die er is, vanwege het diepe gevoel dat de ban gebroken zou moeten worden en dat het ook kán. Ik zou me een praktijk van exorcisme goed kunnen voorstellen, ware het niet dat mensen dan bijna onontkoombaar in de ban van dat exorcisme geslagen worden: de exorcist zelf, de bewonderaars die volgelingen worden, de bevrijde mens als bewijsexemplaar.
Evangelieteksten over mensen met onreine geesten roepen onveranderlijk de vraag op naar het >bestaan= van demonen. Sommigen houden vol dat demonen wel degelijk objectief en onafhankelijk bestaan. Anderen zien het als een primitieve, maar in de bijbelse teksten wel degelijk adequate manier van spreken over de manier waarop een mens de gevangene kan zijn van iets dat sterker is dan hemzelf. Ik voel nauwelijks de behoefte om tussen die twee een keuze te maken. Ten eerste weet ik zo weinig over de manier waarop allerlei krachten >bestaan= waarvan mijn zintuigen alleen de uitwerking registreren. Ten tweede: ook als we zeggen dat spoken niet bestaan, blijven ze rondspoken. Al besluiten we dat ze alleen metaforisch bestaan, we moeten ze evengoed bij de naam noemen om ervan bevrijd te kunnen worden.
Als in het verhaal van Lucas 4 mens en demon van elkaar losgemaakt worden, is dat niet om ons het >bestaan= van de kwade geest te openbaren, maar om het bestaan van de gave mens onder de demon vandaan te halen. Ze varen uit (36): de mens is niet identiek met zijn gekte of met zijn kwaad.
Wat in de synagoge van Kafarnaum gebeurt, doet me aan het scheppingsproces van Genesis 1 denken. Er wordt scheiding gemaakt tussen een mens en diens bezetenheid. Zoals onder het oerwater vandaan de vaste grond te voorschijn kwam, komt onder de demonische chaos vandaan een mens te voorschijn. Jezus in de synagoge van Kafarnaum laat met een bevrijdende scheppingsdaad een gaaf mens in het midden van de gemeenschap achter. De ooggetuigen hebben in Jezus= daad Gods heil en waarheid onmiddellijk present ervaren. Ze zijn diep onder de indruk (36): hier wordt geen reguliere praktijk gedemonstreerd, hier wordt geopenbaard hoe de wereld wat God betreft in elkaar zit.
Hoewel we weten dat de leerlingen van Jezus eveneens boze geesten hebben verjaagd, zie ik deze tekst niet als een aanmoediging om zelf exorcisme te gaan bedrijven. Voor mij geeft het verhaal wél een duidelijke richting aan. Het laat op z=n radicaalst die regel zien waarmee we in conflictsituaties dikwijls zoveel moeite hebben: om personen en zaken te scheiden, en om de persoon achter zijn verkramptheid vandaan terug te winnen. Het leert ons ook om persoon en kwaal (ziekte, obsessie, beheptheid) uit elkaar te houden, om in en achter de patiënt de gave mens te blijven vermoeden en terugzoeken.
Zo betekent het verhaal uiteindelijk ook troost voor mijzelf. Want voorzover ik niet nu al behept ben met van alles, zie ik als pastor genoeg om me heen om te weten hoe ook ikzelf zomaar ten prooi kan vallen aan kwalen of neuroses, verstrikt kan raken in complexen en verslavingen, in de ban kan raken van spoken die sterker zijn dan ikzelf. Het evangelie verzekert me dat, mocht me dat overkomen, ik daarin nooit helemaal zal verdwijnen. Jezus betuigt in ons verhaal dat er wat God betreft onderscheid wordt gemaakt tussen de kostbare mens die je bent, en datgene wat over je gekomen is. In dat licht durf ik te leven met mijn eigen kwetsbaarheid.
Piet van
Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl