|
ELIA'S HEMELVAART |
2 Koningen 2 vs 1-18
Soms heb je een mens die er op een bijzondere manier aan bijgedragen heeft, dat jij geworden bent wie je nu bent: je vader of moeder, een vriendin op wie je steunt, een leermeester. Stel je voor, die mens gaat sterven. Je gaat mee, zo ver als mogelijk is, om aan de uiterste grens van het leven te staan, afscheid te nemen, misschien nog iets belangrijks te vernemen. Het gaat om die stervende, maar ook om wie jijzelf bent, om de vraag wie je zult zijn zonder die ander. Het is, ook als je lang en breed volwassen bent, een nieuwe stap naar zelfstandigheid. Of een val in het zwarte gat ervan? Wat je met die ander had, zul je nu zelf verder dragen.
Ik wil de lezer uitnodigen om vanuit deze invalshoek het verhaal van Elia's hemelvaart te (her)lezen. Ik zal niet beweren dat daarmee aan dat verhaal volledig wordt recht gedaan, of dat het er uitputtend mee is verklaard. Het is een invalshoek die zich, toen de tekst in de zomer van 1997 op het leesrooster stond, vanuit het pastoraat eenvoudig aan mij opdrong. Het bracht het verhaal op een nieuwe manier dichtbij, het gaf er nieuw reliëf aan.
Het gaat ook volgens de bijbelse aanhef om Elia's tenhemelopneming (vs1), maar de centrale gestalte in het verhaal is zijn volgeling Elisa. Deze staat herhaaldelijk voor de keuze om al of niet mee te gaan (vs2,4,6). Hij is het die steeds aangesproken wordt, door Elia maar ook door de profetenleerlingen (vs3,5), en hij mag de laatste wens uitspreken. Als de scheiding is voltrokken en Elia voorgoed buiten beeld is, volgt nog een dramatisch hoogtepunt in het verhaal: dan zal moeten blijken of er voor Elisa een weg terug is naar de kring van zijn medemensen, of de erfenis van Elia op zijn schouders werkelijk van kracht zal zijn.
Elisa vergezelt zijn meester op een weg die vanaf het begin in het teken staat van het naderend einde. Het gaat met Elia bergafwaarts: van Gilgal naar Bethel, naar Jericho, tot bij de Jordaan, op de grens van het land der levenden. Het gaat in etappes: telkens worden ze omsloten door de veilige ring van een stadsmuur, de kring van profetenleerlingen. Maar juist die kring van mensen is ook beklemmend voor Elisa, omdat daar steeds de wetenschap van het naderende afscheid waart.
Elia eist niet van zijn volgeling dat hij meegaat tot het einde. Al in de stad waar het verhaal begint, zegt hij: Blijf jij maar hier, mij heeft de heer naar ginds gezonden. Blijf jij maar in de kring (Gilgal), ik vraag je niet, eruit te stappen. Meent Elia dat? Wil hij de levenden niet belasten met zijn heengaan? Zoekt hij als een dier de eenzaamheid van het einde, terwijl het leven gewoon doorgaat? Of hoopt hij vurig op de reactie die volgt: Bij de HEER en bij je eigen leven, nee, ik verlaat je niet. Je zult het nooit precies weten. Wat bedoelt de stervende die tegen een wakend familielid zegt: ga maar slapen, je hebt het hard nodig..? Elisa houdt aan zijn meester vast en zweert bij diens leven: Je lééft, dus blijf ik bij je.
Als een traject is afgelegd, weer lager, weer dichter bij de laatste grens, komen daar de profetenleerlingen naar Elia toe, als neven en nichten op de gang van een ziekenhuis: "Het duurt nu niet lang meer, dat zie je toch ook wel zeker" - "Heb je wel in de gaten hoe ernstig het is?". Elisa reageert telkens bits: Ook ik besef het, zwijg! (vs3,5). Want het besef van de profetenleerlingen is ijdelheid vergeleken bij het gewicht van de weg die hij met Elia gaat. Bij alle goede bedoelingen hebben ze geen idee wat ze zeggen. Weet je dat vandaag de HEER uw heer van boven uw hoofd wegneemt? - Morgen sta je er alleen voor! Niemand die je levensroeping boven je opvangt, om ze je in brokken aan te reiken, als opdracht, aanwijzing, waarschuwing. Elisa weet het ook wel. Juist daarom stoort het meeleven, het goedbedoelde gezelschap. Concentratie is geboden, niet op morgen maar op nu, op de aanwezigheid van de meester.
Bij de laatste afdaling gaan ook omstanders mee, om des te uitdrukkelijker op een afstand te blijven staan als de grote grens bereikt wordt: de Jordaan. De grens tussen land der levenden en doodsland, tussen het land waar het leven zich afspeelt en het gebied dat eraan voorafgaat, erbuiten ligt. Degene die er straks niet meer zal zijn, is de gids, zoals zo dikwijls als iemand sterven gaat: die leidt je dat gebied binnen, zelfstandig heb je daar geen toegang. "Stervensbegeleiding" is hooguit schoorvoetend volgen, beseffen dat je op heilige grond verkeert, op de uiterste rand van het mogelijke. Pas als alles voorbij is zul je je afvragen, hoe je ooit zult terugkeren, of dat nog wel kan..
Daar in de woestijn, afgesneden van het gewone leven, mag Elisa nog een laatste verlangen uitspreken. Laat alstublieft een dubbel mondvol van uw adem tot mij zijn (vs9). Hoe je die moeilijke zin ook vertaalt, het zal wel neerkomen op: Laat iets van jou tot me komen, laat me deel hebben aan dat, wat ik had door bij jou te zijn, en ook: laat me jouw levensroeping voortzetten. Niet zomaar een beetje, maar twee beetjes als het kan. Ons woord "beetje" is trouwens precies wat er staat: een bete, een hap, een mondvol.
Dat is een verlangen waarop niet zomaar "accoord" kan volgen. Over Elia's adem of geest beschikt ook Elia niet als over iets dat hij kan uitdelen. De vervulling wordt verbonden met het al of niet aanschouwen van Elia's wegwijken : van het meest heilige moment. Wat de draagwijdte is van die voorwaarde, weet ik niet. Dat je dat ontzaglijke moment van iemands heengaan gezien moet hebben (maar wat is "gezien?") om je de opvolger in zijn levenstaak te weten, daar kan ik me iets bij voorstellen.
Het grote moment komt toch nog als een onverhoedse inslag. Er is een grote rust, een grote nabijheid gekomen, nu alles afgehandeld is en het geroezemoes van het leven onbereikbaar ver is teruggeweken. En het geschiedde, dat die beiden liepen, al gaande en sprekende.. Het is alsof die zin de tijdloosheid uitdrukt van die laatste ogenblikken met een stervende, ogenblikken die louter geschenk zijn omdat alles gereed is. Ben je elkaar ooit meer nabij geweest, heb je ooit groter rust gevoeld? Maar dan opeens meldt het zich, het onherroepelijke einde. De allergrootste nabijheid slaat in één ogenblik om naar volslagen onbereikbaarheid. Als een zwaai met een vurig zwaard voltrekt de scheiding zich tussen die twee: een wagen met paarden, een stormvlaag, Elia glijdt erin weg. Ingestapt in de wagen? Weggezogen in de windhoos achter die vurige scheur? Was de wagen een wapen dat scheiding maakte of een voertuig voor de hemelvaart?
De vraag voor Elisa is: heb je het gezien? Of heb je verwilderd naar de begeleidende verschijnselen gestaard, en heb je de persoon hooguit in een ooghoek zien ontsnappen? Elisa zag - schreeuwde het uit - en zag niet meer. Midden in de wandeling, waar ze in die laatste belangeloosheid eindelijk gelijken waren, staat hij daar als wanhopige, verweesde enkeling. Mijn vader, mijn vader! Wagen en ruiters, kracht en overwicht, inzicht, doortastendheid, stuurman van mijn volk en van mij! Alles is weg. Slechts een gevallen mantel, lege omhulling, bewijst dat er echt iets voorafgegaan is.
Dan moet Elisa terug uit niemandsland, maar dat lijkt onmogelijk. Hij is niet meer wie hij was. Hij heeft oog in oog met het ontzaglijke gestaan. Hij heeft die vurige scheur door de stilte gezien, maar hij heeft ook de gevallen mantel opgemerkt. Dat hij hierbij is geweest, maakt hem verantwoordelijk, op een bepaalde manier nu pas volwassen. Hij is opvolger, laatste getuige, hij is wat Elia was. Kan hij dat aan? Kan hij zo de kring van de levenden weer binnentreden?
Dat staat te bezien, want tussen hem en de bewoonde wereld stroomt de Jordaan. Aan de overkant staan de vijftig profetenleerlingen, klaar om hem op te nemen, zoals er altijd zoveel goedwillende mensen zijn die je zullen helpen om de daad van het leven weer op te nemen. Maar je moet eerst die grens weer over. Je verkeert nog in het gebied van het afscheid, van de vurige aanslag, van het ontzagwekkende. Zolang de Jordaan tussen jou en het leven stroomt, zijn al die medemensen figuranten op de andere oever. Daar sta je: zal het water voor jou wijken zoals het week voor je meester?
Elisa pakt de ineengerolde mantel van Elia met beide handen beet, slingert hem over zijn hoofd achterwaarts en dan, met de moed der wanhoop en met een slag die uit heel zijn lijf komt, laat hij hem op het water neerkomen. Dat fantaseer ik niet: het is de enige manier om met een jas op water te slaan. Daar is geen plechtstatigheid mee gemoeid, maar hartstocht. Een klap op leven en dood, vergezeld van een wanhoopskreet: Waar is de HEER, de God van Elia, ja, dié - (vs14).
Dat is een dramatisch hoogtepunt in het verhaal. Er had nu, ook vanuit de verhaalgegevens, evengoed niets kunnen gebeuren. Op de heenweg ging het in één zin, Elia rolde zijn mantel ineen en sloeg en de wateren verdeelden zich en ze gingen, die twee, op het droge (vs8). Door niet van de zijde van zijn meester te wijken passeerde Elisa bijna vanzelf de grote grens. Nu echter was het zijn eigen drama: kun je nog terug? Ben je achteraf gezien niet te ver meegegaan? Maar als de zin na Elisa's wanhoopskreet een tweede aanloop (opnieuw met "en hij sloeg het water" ) heeft genomen, wijken de wateren, en de kring van profetenleerlingen schaart zich om hem heen. Hij is weer in de wereld. Dat hij niet meer is als voorheen, hebben ze al direkt gezien.
De profetenleerlingen zelf waren de grens niet over geweest. Ook zij hadden geweten van Elia's heengaan, maar ze hadden het afscheid minder intens doorgemaakt, op een gepaste afstand. Hun levenskring en hun steden waren de rustpunten, waaraan Elisa zich ondanks Elia's aandringen niet had willen overgeven. Maar nu alles voorbij is, is er onrust bij de profetenleerlingen. Ze moeten gaan zoeken, voor alle zekerheid, of de adem van de HEER hem niet opgetild, en op een van de bergen of in een van de dalen geworpen heeft (vs16). Ze zijn als nabestaanden die te weinig van het sterfbed hebben meegemaakt, en die nu zekerheid zoeken in medische verklaringen, in obductie desnoods, ze kunnen er nog geen punt achter zetten, terwijl jij zegt: Laat maar, dat is niet nodig, ik weet immers waarvan ik getuige ben geweest.
Voor het eerst in het verhaal wordt, in het laatste vers, gezegd dat Elia "zit", vertoeft, rust houdt, terwijl het gezelschap waarbij hij eerst maar steeds niet wou zitten, stad en land afdwaalt om moeizaam achteraf te constateren dat Elia er inderdaad niet meer is. Heb ik het jullie niet gezegd - is de reactie van Elisa (vs18), maar dat wil niet zeggen dat ze het niet hadden moeten doen. Het was hun manier om laatste eer te bewijzen, om afscheid te nemen. Het toont wel hoe onnavolgbaar verschillend de wegen van het afscheid zijn, voor die éne die de weg van de gestorvene voortzet, en voor de velen die hem gekend hebben.
Ik heb dit verhaal in de loop van het jaar 1997 enkele keren met groepen gelezen. De insteek vanuit het meegaan met een stervende heb ik drie keer in verschillende rusthuizen toegepast. Het oude verhaal dat bij eerste lezing als steil en onwerelds werd ervaren, bleek een ruimte te worden waarbinnen veel eigen levenservaring werd herkend en erkend: het verhaal komt je tegemoet daar waar je ervaart dat mensen het niet meer met je meemaken, al doen ze nog zo hun best. Dat het verhaal toch ook méér is dan een spiegel van onze afscheids-ervaringen, bleef een besef op de achtergrond. Wie het lang zonder zo'n spiegel heeft moeten stellen, moet zich er eerst maar volop aan laven, om later misschien ook nog iets van het meerdere op het spoor te komen.
Drie andere groepen lazen het verhaal zonder deze bijzondere invalshoek. Een kring van gemeenteleden maakte houtskoolschetsen onder leiding van een beeldend kunstenaar. Ze kozen daartoe ieder eerst een sprekend moment uit het tweemaal voorgelezen verhaal. Twee momenten bleken zich aan te bieden, en wel de beide keren waarop Elisa het uitschreeuwt: de stormachtige scheiding waarbij de volgeling alleen blijft, en het moment waarop de eenzame Elisa weer voor de rivier staat, met aan de overzijde de vijftig profetenleerlingen.
Een groep poolse theologiestudenten, met wie ik het verhaal tijdens een studieweek las, schreef een filmscript bij dat laatste moment. Ze kozen een russisch landschap, orthodoxe monniken staande aan een wijde, snelstromende Wolga, aan de overkant die doodeenzame gestalte, stilte en watergeluiden als in een film van Tarkovski. Als Elia op het water slaat gebeurt er.. helemaal niets. Pas als tot de kijker doordringt dat er inderdaad niets gebeurt, wijken de wateren alsnog.
De jongeren in mijn gemeente kregen een lange jas mee naar hun eigen bespreking tijdens de kerkdienst. De opdracht was om na lezing van het verhaal uit te proberen wat je kunt zéggen terwijl je met een opgerolde jas op het water (de grond) slaat. Na afloop bracht de groep verslag uit aan de gemeente. Een paar meisjes zeiden dat ze, in plaats van te slaan, op een steen zouden gaan zitten om een potje te janken. De jongens konden wel slaan, maar ze wilden het niet voordoen, want het enige wat je tegelijkertijd kon doen, was vloeken. Dat is een treffende uitkomst, want hoe ver is de schreeuw van Elisa (vs14) eigenlijk verwijderd van een machteloze vloek?
De kwetsbaarheid van Elisa, die we verder zullen kennen als een ruige profetengestalte, heeft diepe indruk op me gemaakt. In zijn grenservaring, op het moment dat alles hem gegéven moet zijn, is hij even groots als nietig, even vertwijfeld als gelovig. Het grote dat hij meedraagt is geen rustig bezit, maar iets wat ook zomaar weg had kunnen zijn. Zijn meester leeft in hem voort, maar niet omdat hij de zaken stoer heeft overgenomen. Het is genade. Zoals ook heel veel ervaringen van mensen die tot het laatst een stervende hebben vergezeld, bij alle wanhoop en verscheurdheid kunnen worden samengevat in dat ene woord: genade.
Piet van Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl