CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Om het boek Ester te begrijpen moet je het lezen in de carnavaleske setting van het Poerimfeest. Maar de uitlegtraditie heeft het boek vaak eerder gelezen in de diep-ernstige context van Tenach of de Heilige Schrift. Piet van Veldhuizen volgt met Adele Berlin het literaire spoor terug.

Ester, een farce

Het bijbelboek Ester volgens Adele Berlin

Het bijbelboek Ester biedt een bijzonder inkijkje in het reilen en zeilen van het Perzische hofleven: enerzijds de weelderige luxe, de feestmalen, de paleizen en de harems, anderzijds de fabelachtige bestuurskracht en de roemruchte wetgeving waarmee het onmetelijke rijk werd bestuurd. Althans, lange tijd hebben uitleggers gemeend dat we hier met een echte indruk van de Perzische realiteit te maken hadden, omdat de beschrijvingen in het boek Ester op veel punten overeenstemmen met wat erover verteld wordt door Griekse auteurs zoals Herodotus en Xenophon. Adele Berlin laat in haar Ester-commentaar die oude Grieken en hun navolgers uitvoerig aan het woord, maar juist niet om de geloofwaardigheid van het Ester-verhaal te staven: ze toont aan dat er in de Griekse en Hellenistische literatuur een stereotiep Perzië-beeld bestaat, dikwijls tot in het karikaturale doorgevoerd, en dat de auteur van Ester van ditzelfde beeld gebruik maakt. Een verwijfde koning, omgeven door uitzinnige luxe, regerend via een tot in het onzinnige uitgebouwde bureaucratie waardoor hijzelf het contact met het echte leven in zijn rijk volslagen kwijt is: om zo’n beeld van het Perzische hof te hebben hoefde je volgens Berlin niet in Mesopotamië te wonen, maar moest je de Grieken lezen die zich er vrolijk over maakten. Dat is ook precies wat de Poerimrol Ester doet: zich vrolijk maken over een oppermachtige koning die in feite geen enkele invloed heeft, en een grotesk verhaal vertellen over wat er zich om hem heen afspeelt zonder dat hij ook maar één moment doorheeft wat er gaande is.

Als de auteur van Ester namen opsomt, van de zeven eunuchen in 1,10, en van de tien zonen van Haman in 9,7, klinken die namen typisch-Perzisch, maar niemand weet of het bestaande Perzische namen waren. Zoals Griekse toneelschrijvers soms quasi-Perzische namen gebruikten, doet de Ester-rol dat misschien ook gewoon voor de grap, want voor de joodse lezer zijn het stuk voor stuk tongue-twisters.

Adele Berlin, die naam gemaakt heeft met literaire analyse van bijbelse teksten, typeert Ester in literair opzicht als een farce. Dat is een verhaal in het komische genre, dat een publiek wil vermaken met groteske situaties, extravagante beschrijvingen, omkeringen en persoonsverwisselingen. In een farce is vaak ook sprake van woordgrappen en van sexuele toespelingen. Maar misschien is wel het belangrijkste dat de verteller zich niet bekommert om de geloofwaardigheid van zijn verhaal. Zijn publiek hoeft er niet van overtuigd te worden dat het echt zo was: het is in de stemming om zich te laten meeslepen door de overdrijvingen en bizarre wendingen van het stuk. Berlin noemt een aantal punten waaruit blijkt dat de auteur niet naar feitelijke geloofwaardigheid streeft:

Er heeft, voorzover bekend, nooit een joodse koningin Ester op de Perzische troon gezeten. Dat een Perzische koning een koningin zou uitkiezen via een beauty contest waaraan elk meisje ongeacht haar komaf kon meedoen, strookt volstrekt niet met wat we over de tienmalige gebruiken weten.

Ook Ahasverus komt niet in de lijst van Perzische koningen voor, en geen van de bekende koningen handelde zoals hij in het verhaal doet: voor de kleinste pietluttigheden zijn adviseurs raadplegen, terwijl hij de meest ingrijpende besluiten door anderen laat nemen.

Het idee van een wet die niet veranderd kan worden maakt een land onbestuurbaar. Het stamt niet uit de Perzische realiteit, maar uit de grappen die erover gemaakt werden.

Voor een decreet om de joden uit te roeien is het Perzische rijk de minst waarschijnlijke entourage. Onder de Perzen hadden de joden juist meer ruimte dan onder andere overheersers daarvoor en daarna, en elders in de bijbel staan ze er daarom juist in een gunstig daglicht.

Het belangrijkste gegeven voor de plot van het verhaal is tegelijk het meest onwaarschijnlijke, namelijk: Ester moest geheim houden dat ze joodse was; maar iedereen wist dat Ester bij Mordekai hoorde, en iedereen wist dat Mordekai een jood was.

Voor een serieus verhaal zou dat laatste punt een problematisch gegeven zijn. In een farce versterkt het juist het groteske karakter van het verhaal. Je ziet iets wat de onsympathieke personages óók kunnen zien, maar die hebben niks door.

Eigenlijk is de farce een toneelgenre, en Ester is geen toneelstuk. Het is wél zo geschreven dat het er bijna om vraagt om in rollen uitgespeeld te worden. Maar ook als verhaal moet Ester het volgens Berlin helemaal hebben van de performance: de voorlezing op het Poeriemfeest. Een aantal trekken van het verhaal vallen pas op hun plaats als je je van die context bewust bent.

Poeriem is een carnavalesk feest, waarbij de rollen omgedraaid worden en de wereld op zijn kop staat. Geknechte mensen zijn voor even de baas, arme meisjes mogen tijdens het feest voor koningin doorgaan. Het Ester-verhaal draait om een reeks van omkeringen: de koningin verliest haar plaats en het joodse meisje wordt koningin. Haman moet Mordekai eren terwijl hij hem wilde uitschakelen, en hij wordt zelf gespietst op de paal die hij voor Mordekai had klaarstaan. Het gebaar waarmee hij de koningin om genade smeekt wordt opgevat als een erotische avance: met de carričrejager kan het alleen nog maar misgaan. De actie tegen de joden wordt omgezet in een actie van de joden tegen hun vervolgers.

Serieuze bijbellezers hebben vaak moeite met de slachting die de joden aan het eind van het boek aanrichten, en met de manier waarop de hele familie van Haman aan de spies gaat. Daarom is het wel van belang om te beseffen dat het om een zeer speciale feestrol gaat. Berlin schrijft: ‘Poeriem heeft veel trekken gemeen met andere carnavaleske feesten (Halloween, Mardi Gras, 1 April, het Amerikaanse Nieuwjaar en de Israëlische Onafhankelijkheidsdag). Deze carnavalsdagen verschillen onderling, maar allemaal bevatten ze een zekere joligheid en lichtzinnigheid, waarbij de normen van het fatsoen mogen worden overschreden. (...) Er is sprake van een gespeelde omkering, waarbij zogenaamd de normen van de samenleving op hun kop worden gezet, terwijl men aldoor weet dat het slechts komedie is. Bij carnaval neemt de fantasiewereld de plaats van de echte wereld in. Kostuums en maskers, veel drinken, lawaai, baldadigheid en zelfs (voorgewend) geweld behoren tot de gangbare uitingen die de sfeer van de fantasiewereld en de geoorloofde omkering van de leefregels symboliseren’. Daarom is het ook passend, zegt Berlin, dat de onaantastbaarheid van de koninklijke wet in het verhaal van Ester geridiculiseerd wordt.

In dienst van het poeriemfeest vindt er in Ester een totale omkering van verhoudingen plaats. Tegenover Haman die zijn tegenstander wil spietsen en die het joodse volk wil vernietigen, wordt niet een ander soort attitude aangeprezen. De feestrol Ester is geen moreel pleidooi en wil geen wegwijzer zijn: er wordt in doldrieste stemming gevierd dat vandaag de wereld even op zijn kop staat. Om de sfeer van poerim, al in het antieke jodendom, op te roepen haalt Berlin een aanwijzing uit de Babylonische talmoed aan (Megilla 7b): je moet op poeriem zó dronken worden dat je geen onderscheid meer kunt maken tussen ‘Vervloekt zij Haman’ en ‘Gezegend zij Mordekai’.

Juist omdat de feestrol zo’n uitzinnig feest dient, is het begrijpelijk en passend dat de naam van de Eeuwige in dit verhaal niet wordt genoemd. Dat wekt pas bevreemding als het boek eenmaal opgenomen is in Tanach. Dan komt het ook in een onmogelijke positie terecht: het blijft een baldadig verhaal dat rekent op de joelende bijval van halfdronken luisteraars, maar mensen gaan het nu opeens eerbiedig lezen. Dat zie je al aan de Griekse versie van Ester die in de roomskatholieke canon is opgenomen: daar zijn vrome passages ingebouwd, zoals het gebed van Mordekai en het gebed van Ester, die het boekje geschikter maken voor stichtelijke lezing. Ze maken het boekje volstrekt ongeschikt voor lezing in een carnavaleske sfeer.

Adele Berlin doet geen uitspraak over de vraag wat er het eerst was: het feest of de feestrol – omdat van beide de oorsprong niet precies is na te gaan. Wél stelt ze vast dat de samenhang tussen het verhaal en het feest bijzonder sterk is: het feest is ondenkbaar zonder het verhaal, en het verhaal is niet goed leesbaar zonder de context van het feest.

Tenslotte vertel ik nog graag iets over de serie waarin het commentaar van Adele Berlin is verschenen, omdat deze in Nederland niet erg bekend is. De Jewish Publication Society (JPS) geeft sinds 1888 Engelstalige boeken uit ten behoeve van de joodse gemeenschap in Amerika. Je kunt er terecht voor diverse tenach-edities, pesach-haggada’s, de beroemde Legends of the Jews van Louis Ginzberg, of je kunt er ineens een complete Essential Home Library bestellen, een standaardpakket van joodse handboeken. De JPS Bible Commentary is relatief jong en nog zeer onvolledig. Naast vijf kloeke delen op de Tora zijn er alleen delen verschenen over Ester, Jona en Prediker. Onlangs verscheen ook een Haftarot-commentaar, waarin de vaste profetenlezingen van het synagogale leesrooster worden behandeld. Het eigene van deze reeks is dat de liberaal-joodse auteurs zowel de rabbijnse traditie als de moderne bijbelwetenschappen verdisconteren. Piëteit ten opzichte van de traditie gaat hand in hand met een literaire benadering van de tekst. Opvallend is dat de auteurs relatief weinig tekst nodig hebben om veel te zeggen. Excursen zijn dikwijls niet langer dan een pagina, maar uitermate inhoudsrijk. De opzet van de boeken is klassiek: je bladert van achter naar voren, bovenaan de pagina staan de Hebreeuwse tekst en de dynamisch-equivalente JPS-vertaling naast elkaar, en daaronder eerst een commentaar per pericoop en dan notities per vers.

Adele Berlin is hoogleraar bijbelwetenschappen aan de universiteit van Maryland. Van haar hand zijn in andere reeksen commentaren verschenen op Klaagliederen en Zefanja, maar ze heeft ook fundamentele literaire studies gepubliceerd. o.a. over het parallellisme in de bijbelse poëzie. Daarnaast is ze als redacteur betrokken bij de Jewish Study Bible en bij een gender-sensitieve versie van de JPS-bijbelvertaling.

De inleiding op haar Ester-commentaar, veertig pagina’s lang, leest als een spannend boek. Het is weliswaar veel ernstiger dan het boek Ester, maar het is prachtig geschreven, en het maakt de weg vrij voor een lichtvoetige lezing van het bijbelboek.

Piet van Veldhuizen

pi.veldhuizen@caiway.nl