dr Piet van Veldhuizen
Na
alle bijbelse verhalen over onvruchtbare vrouwen hebben we hier eindelijk
eens een onvruchtbare man. Dit artikel, dat in 2006 verschenen is in het
tijdschrift Interpretatie, laat zien hoe die onvruchtbaarheid maakt dat de
eunuch met andere oren naar Jesaja luistert. Dat levert een vruchtbare
leersituatie op.
Over
wie heeft de profeet het?
De
eunuch, Jesaja en Filippus in Handelingen 8
Als
Filippus op een rijdend rijtuig springt, ergens in het verlaten landschap
tussen Jeruzalem en Gaza, ontstaat er een soort didactische
laboratoriumsituatie. Aan boord bevindt zich een lezer met een moeilijk
boek, en Filippus heeft aangeboden om als uitlegger op te treden. Ziedaar de
driehoek van leerstof, leermeester en leerling. In het midden staat de
leervraag die door de stof wordt opgeroepen, door de leerling wordt gesteld
en door de leermeester wordt opgepakt en besproken. In een kerkelijke
context kunnen we die interactieve driehoek benoemen als die van tekst,
prediker en hoorder. Ook dan ligt er, als het goed is, in het midden een
vraag die de tekst oproept, die op de gezichten van de hoorders te lezen
staat en waar de prediker op ingaat.
Het
spannende aan de leersituatie en de verkondigingssituatie zit hem in de
dynamiek binnen die driehoek. In een echt leerproces of verkondigingsproces
blijft geen van de drie >partijen=
onberoerd. Na een goede les of preek is niet alleen de leerling of hoorder
wijzer geworden of zelfs veranderd. Ook de leermeester of prediker heeft
ontdekkingen gedaan, en de stof of de tekst is verbindingen aangegaan
waardoor ze voortaan anders zal klinken dan voorheen. Zo ging het ook,
volgens het verhaal van Handelingen 8,26-40, op dat voortbolderende rijtuig.
De driehoek werd gevormd door een Ethiopische eunuch, de Griekssprekende
jood Filippus, en een fragment uit Jesaja 53. De vraag die in het centrum
stond, luidde: >Over
wie heeft de profeet het, over zichzelf of over een ander?=
(vers 34).
Ik
heb die vraag altijd gezien als een wat al te gemakkelijk aangevertje voor
Filippus, die op deze manier direct over Jezus kon beginnen. Het verhaal
over Filippus en de eunuch heeft me nooit zo geboeid omdat ik er geen
spanning en geen dynamiek in kon ontdekken. De eunuch leest een moeilijk
stuk Jesaja. Filippus geeft een pasklare christologische uitleg. Terwijl de
eunuch er een paar verzen terug nog niets van snapte, wil hij nu dadelijk
gedoopt worden. Maar wij als lezers krijgen niet te horen wat hem
overtuigde, want de preek van Filippus is niet meegeleverd. Lucas vermeldt
alleen: >...beginnend
vanuit die tekst verkondigde hij hem Jezus=
(vers 35).
In
commentaren wordt die weggelaten preek soms ingevuld met een klassiek
christologisch exposé. De eunuch zou dan zijn overtuigd door een sluitende
geloofsleer. Zelf blijft hij daarbij, behalve dat hij als leergierig
bijbellezer een voorbeeldige kerkganger is, een man zonder gezicht of
eigenschappen. Als er een willekeurige ander gezeten zou hebben, zou
Filippus precies dezelfde preek hebben gehouden. Het enthousiasme van de
eunuch houdt zo iets onwezenlijks, het is letterlijk onnavolgbaar. Vandaar
dat ik het altijd een tamelijk goedkoop missionair verhaal heb gevonden B totdat ik, zelf bijbellezend, opeens een nieuwe
klank hoorde in de vraag van de eunuch.
Lucas
besteedt in het verhaal veel woorden aan de omschrijving van de lezende
reiziger. De introductie luidt in vers 27: >een
man, Ethiopiër, een eunuch, een topambtenaar van Kandake de koningin van de
Ethiopiërs, die over heel haar schatkist ging, die was komen aanbidden in
Jeruzalem=.
Sommige
uitleggers wijzen erop dat het begrip >eunuch= in die dagen gewoon een hofambtenaar kon aanduiden,
zonder de connotatie van castratie die er oorspronkelijk mee gemoeid is. Dat
is in algemene zin waar, maar Lucas gebruikt voor de ambtelijke status van
de man ook nog het begrip dynastes (topambtenaar) én de omschrijving
van zijn ministerschap. Toch duidt Lucas in het vervolg van zijn verhaal
deze man niet aan als >de Ethiopiër=
of >de topambtenaar=
of >de schatbewaarder=
en zelfs niet gewoon als >de man=,
maar consequent als >de eunuch=.
Wat Lucas daarbij gedacht kan hebben, vinden we treffend verwoord in het
boek Jesaja, een paar perikopen voorbij de tekst waarbij de Ethiopiër is
blijven haken. In Jesaja 56,1-8 gaat het over de ruimhartigheid van de
Eeuwige die zich uitstrekt naar de vreemdeling en de eunuch. Terwijl de
eunuch zichzelf omschrijft als >een dorre boom=,
wordt hem in het huis van de Eeuwige een noemenswaardige plaats beloofd, >beter dan zonen en dochters, een eeuwige naam die niet zal
komen te vervallen=. Zo=n
belofte spiegelt de misère die door Jesaja met de eunuch werd geassocieerd:
dat hij niemand heeft bij wie zijn naam zal voortleven, dat zijn plaats
onder de zon vervalt zodra hij er zelf niet meer is.
Na
alle bijbelse verhalen over onvruchtbare vrouwen hebben we hier eindelijk
eens een onvruchtbare man. De vraag is alleen waarom commentaren gewoonlijk
wél uitgebreid ingaan op de nood van de onvruchtbare vrouw, maar zich
meestal niet afvragen welke rol de onvruchtbaarheid van deze man in het
verhaal speelt.
Volgens
het verhaal in Handelingen leest de eunuch niet de zeer toepasselijke
passage uit Jesaja 56. Hij blijft steken bij Jesaja 53,7-8, geciteerd
volgens de Septuaginta:
>Als een schaap werd hij naar de slacht geleid;
als
een lam stemmeloos bij zijn scheerder,
zo
deed hij zijn mond niet open.
In
de vernedering werd hem het oordeel onthouden;
zijn
geslacht, wie zal erover vertellen?
Want
zijn leven wordt van de aarde weggenomen.=
Bij
deze woorden vraagt de eunuch aan Filippus over wie de profeet het heeft:
over zichzelf of over een ander?
Als
we Lucas als verteller serieus nemen, stellen we ten behoeve van de exegese
de voordehandliggende vraag: waarom laat Lucas déze man déze vraag stellen
bij déze schriftwoorden? De eunuch vraagt immers niet waar het over gaat,
maar over wie het gaat. Als dat méér is dan een goedkoop
aangevertje voor Filippus, zodat die gemakkelijk over Jezus kan beginnen,
moet de vraag wel suggereren dat hij in deze regels zichzelf herkent. Zonder
protest gaat hij de vergetelheid tegemoet. Zo machtig als hij is, aan zijn
leven zal geen recht worden gedaan, de balans zal er niet over worden
opgemaakt, zijn verhaal zal niet worden bewaard en verder verteld. Want als
hij heengaat blijft er op aarde niets van hem over. >Mijnheer,
over wie gaat dit?= B
in de vraag klinkt de sensatie door: dit gaat over mij. Filippus heeft
daarmee een uiterst betrokken luisteraar. En de Jezus die hij verkondigt is
niet het theologische puzzelstukje dat het raadsel van de profetie oplost,
maar een hoopgevende lotgenoot: ook gestorven zonder nageslacht te
verwekken, maar toch leeft hij voort, bij God én onder de mensen, in een
andersoortige familiekring. Daarom wil de eunuch ter plekke gedoopt worden,
om toe te treden tot die familiekring waarin een man zonder geslacht
toekomst heeft. Zo gaat heel effectief die andere profetie uit Jesaja 56 in
vervulling: de eunuch krijgt een eeuwige gedachtenis, hij heeft voorgoed
zijn plek gekregen in het verhaal dat Lucas vertelt over de christelijke
geloofsfamilie.
Dat
Lucas het citaat uit Jesaja 53 gebruikt als een tekst waarin de eunuch zich
herkent, wordt bevestigd door de manier waarop hij het citaat op maat heeft
geknipt. Want vóór en na de geciteerde woorden staan zinnen die spreken
over het geweld waarmee de >dienaar van jhwh= wordt bejegend en over de zonde van zijn volk waarvoor
hij moet boeten. Die elementen zijn buiten het citaat gehouden, want daarin
zit niet het herkenningsmoment. Dat zit wél in het feit dat je zonder
protest je lot op je neemt en dan roemloos en naamloos verdwijnt. De droeve
weerloosheid van de man die, zo machtig als hij is, geen andere keus heeft
dan zijn noodlot te aanvaarden, wordt in het verhaal omgezet naar een
vreugde die zo groot is dat hij zich geen moment aan zijn doopvader Filippus
hoeft vast te klampen, maar stralend zijn eigen weg gaat: hij hoort er
helemaal bij.
Nu
is duidelijk waarom Lucas in zijn verhaal de preek van Filippus niet hoeft
uit te schrijven. Niet die preek als kant en klaar verhaal is van
doorslaggevend belang. Filippus kan aansluiten bij de schok der herkenning
die uit de vraag van de eunuch spreekt. Hij introduceert de figuur van Jezus
en biedt de eunuch op die manier een familiekring aan waarin zijn noodlot
niet ontkend wordt, maar aanvaard en zó overwonnen. Er is sprake van een
dynamiek tussen tekst, lezer en uitlegger waarin elk een authentieke en
wezenlijke inbreng heeft. Op de vraag over wie het bij Jesaja gaat, is het
antwoord niet zomaar: over Jezus. Het gaat over jou (de eunuch) en over
Jezus, en die twee worden samengebracht B eerst in de uitleg, en dan in de doop.
Volgens
het verhaal leest de eunuch de woorden van Jesaja in de Septuaginta-versie.
Dat is maar goed ook, want in de Hebreeuwse Jesaja-tekst zou de eunuch zich
niet op deze manier hebben herkend. In de Hebreeuwse tekst worden de
lijdende dienaar en zijn tijdgenoten scherp tegenover elkaar gezet. Als het
weerloze lijden van de dienaar onder woorden is gebracht, wordt vervolgens
aangeduid hoe zijn medemensen erop reageren: we=èt
doroo mi jesjoecheach
B en wat zijn generatie betreft, wie maakt zich er druk
over... Uit de context is helder dat het partikel èt hier gebruikt
wordt om de wisseling van grammaticaal onderwerp te beklemtonen, maar de
Septuagint, die ook de omliggende verzen tamelijk slordig lijkt te vertalen,
heeft het partikel geïnterpreteerd als aanduiding van het lijdend voorwerp.
Daarmee verandert ook de betekenis van het begrip >generatie= (Hebr. door, Gr. genea). Terwijl het in de
Hebreeuwse tekst duidt op de tijdgenoten die er niet om malen dat iemand aan
hun kwaad ten onder gaat, wordt het in de Septuagint niet iets tegenóver de
dienaar, maar iets ván hem: zijn geslacht, in de zin van zijnn afkomst of
zijn nakomelingen. Dan is zijn lot niet meer dat hij door toedoen van zijn
tijdgenoten wordt weggevaagd zonder dat zij er een gedachte aan wijden, maar
wordt het een eenzaam verhaal van iemand die in vergetelheid raakt omdat hij
niemand meer heeft die zijn stamboom zal bijhouden.
Het
is boeiend om te zien dat de oudere bijbelvertalingen in de Jesaja-tekst
meestal de oplossing van de Septuaginta en de Vulgaat volgen, zodat in die
vertalingen het citaat in Handelingen 8 vrijwel gelijkluidend is met de
tekst van Jesaja 53. In de meeste nieuwere vertalingen is het verschil goed
zichtbaar.
De
eunuch herkent zich dus in de Septuaginta-tekst dankzij het feit dat die iets
anders zegt dan het Hebreeuwse origineel. Was Filippus een hoogopgeleide
Hollandse predikant geweest, dan had hij op de vraag van de eunuch
waarschijnlijk geantwoord: >Weet u, in de grondtekst staat eigenlijk iets anders.= Dan had hij een lange preek gehouden over de lijdende
dienaar van de Eeuwige volgens Jesaja, maar de dienaar van Kandake zou
hoegenaamd geen reden meer gehad hebben om daar goed naar te luisteren.
Gelukkig echter was noch Filippus, noch Lucas zich bewust van het feit dat de
Hebreeuwse tekst anders luidde. Voor ons die het wél zien, zou de les kunnen
zijn dat de Geest zich niet bindt aan de grondtekst, maar ook werkt in nieuwe
betekenissen, zelfs als die het resultaat zijn van minder zorgvuldig
vertaalwerk.
De
dynamiek in de driehoek van tekst, hoorder en prediker verandert de hoorder en
brengt de tekst op een nieuwe manier tot klinken. Maar gebeurt er ook iets met
de prediker? Er is wel iets in het verhaal dat daarop wijst. Eerder in het
hoofdstuk gaat Filippus wonderdoend, predikend en dopend door Samaria, maar de
Jeruzalemse apostelen moeten eraan te pas komen om naderhand de heilige Geest
over de Samaritanen af te bidden: >want deze was nog op niemand van hen neergedaald; ze waren
alleen gedoopt in de naam van de Heer Jezus=
(8,16). Als er op dat punt niets veranderd zou zijn, dus als de bediening van
de Geest nog steeds vanuit Jeruzalem zou moeten worden nageleverd, zouden we
moeten constateren dat de verteller de eunuch weliswaar gedoopt en vol
vreugde, maar zonder de Geest naar Ethiopië laat afreizen. Maar in het
verhaal met de eunuch blijkt, anders dan in het voorgaande verhaal, de heilige
Geest intens met Filippus te communiceren (verzen 29 en 39). Na de doop van de
eunuch gaat Filippus helemaal op in de Geest terwijl de eunuch opgaat in zijn
vreugde. Als dat geen Pinksteren is!
In
dit artikel heb ik het verhaal van Handelingen 8 voorgesteld als een
dynamische driehoeksverhouding tussen Jesaja 53, de eunuch en Filippus. Maar
welbeschouwd tekent zich daaromheen een tweede, wijdere driehoek af. Want
behalve de driehoek in het verhaal is er die van het verhaal,
waarin Lucas als verteller onze gids is, wij als lezers zijn leerlingen, en
het verhaal van Handelingen 8 de stof. En zoals de eunuch niet een blanco
lezer is en daarom dingen in Jesaja 53 hoort die er nooit eerder uit geklonken
hebben en die Filippus hem nooit uit eigener beweging had kunnen laten zien,
zo lezen wij Handelingen niet als blanco lezers en horen wij in dat verhaal
dingen waarvan Lucas misschien nooit een vermoeden heeft gehad. Tenslotte is
er dan naast de driehoek in het verhaal en die van het verhaal,
ook nog de driehoek over het verhaal, waarin ik u met de onderhavige
tekst iets probeer bij te brengen. Ook dan geldt ongetwijfeld dat u als lezer
niet blanco bent, en misschien door heel andere dingen getroffen wordt dan die
waarover ik me druk maak B maar zo gaat het daar waar de Geest haar sporen trekt.
Piet van Veldhuizen