dr Piet van Veldhuizen
Alleen het resultaat telt
Retorisch geweld in de Filippenzenbrief
De brieven van Paulus heb ik ooit, opgroeiend in een rechtzinnig protestants milieu, leren kennen als schatkisten vol bewijsteksten en klinkende uitspraken. Menig bijbelvers uit deze brieven werd (en wordt) aan gemeenteleden meegegeven als dooptekst, trouwtekst of belijdenistekst. Andere verzen dienen als klassieke bewijstekst in de geloofsleer. Zinnen uit de nieuwtestamentische brieven fungeren ook vaak als ‘tekst voor de dag’ in allerlei dagboekjes. Iemand van de Navigators, een pastoraal-missionaire studentenbeweging, liet me ooit zelfs een kaartsysteem zien, met op ieder kaartje een losse bijbeltekst. Zo kon je de teksten ordenen: naar thema, of naar de betekenis die ze voor je hadden, of naar de datum waarop je ze uit het hoofd had geleerd.
Schatkisten vol teksten waren de nieuwtestamentische brieven. Ieder vers was zwaarbeladen met waarheid, waardoor de brieven te massief lijken om als doorlopende tekst te kunnen worden gelezen. De bijbelcommentaren die ik als student begon te lezen, bevestigden dat beeld: ieder bijbelvers gaf de commentator stof voor hele pagina’s uitleg.
Daarom zal ik me altijd blijven herinneren hoe ik getroffen werd door het bescheiden boekje Paulus aan de Romeinen dat Gijs Bouwman in 1980 publiceerde. Hij was in de Verenigde Staten in aanraking gekomen met de retorische exegese. Hij beschreef de brief van Paulus niet als een lange aaneenrijging van teksten, maar als in essentie één betoog. Hij liet zien hoe de auteur alles uit de kast haalt om zijn lezers te krijgen waar hij ze hebben wil. Daartoe gebruikt de auteur bewust of onbewust bepaalde overtuigingstechnieken en maakt hij omwegen. Hij palmt zijn lezers soms in om ze daarna des te steviger de les te kunnen lezen. Hij gaat soms en eindje mee in de redenering van zijn tegenstanders om die dan plotseling de nek om te draaien. Maar alles staat in het kader van een beperkte missie, iets wat de auteur bij zijn hoorders wil bereiken.
Toen ik me de instructies van Bouwman opnieuw de bijbelse zendbrieven ging lezen, was dat voor mij een verademing: het was alsof ze opeens korter waren geworden, doelgerichter, minder overladen. Ik stopte niet meer bij iedere volgende zin om daarmee mijn geloofsleer aan te vullen, maar las door om te weten waar Paulus (of wie dan ook) met zijn betoog heen wilde. Het bleek mogelijk om voeling te krijgen met de beweging van het hele betoog en de bewogenheid van de schrijver, om van daaruit, in tweede instantie, de concrete opmerkingen hun eigen plek en gewicht toe te kennen.
Daarmee paste ik, aangemoedigd door Bouwman, eigenlijk gewoon mijn eigen ervaring als schrijver en lezer van brieven toe op de bijbelse epistels. Zeker in een tijd van telefonie en electronische communicatie moet er heel wat aan de hand zijn, wil ik een brief schrijven. Als ik een handgeschreven brief verstuur, gaat het bijna altijd om delicate aangelegenheden: het herstellen van een kwetsbaar contact; de poging om iemand iets aan te reiken van wie ik vrees dat hij of zij het niet zomaar van me zal aanpakken; het aanbieden van excuses om een breuk te vermijden; of het gedenken van een gestorvene. Bekijk ik mijn eigen brieven met een afstandelijk ook, dan zie ik tal van retorische middelen: een inleiding waarin omzichtig een bodem van gemeenschappelijkheid wordt gelegd, of een sfeer van hartelijkheid wordt geschapen; verzekeringen van begrip en solidariteit voordat een kritiekpunt wordt benoemd; erkenning van eigen tekort en feilbaarheid voordat het feilen van de ander wordt aangestipt; ten besluite een aantal zinnen waarmee een venster op de toekomst wordt geopend, in de vorm van voornemens, goede wensen, verzekeringen van nabijheid. Een auteur die werkelijk iets wil bereiken, zal de lezer masseren en tot op zekere hoogte manipuleren. Zolang dat op integere wijze gebeurt – zolang de auteur zichzelf erin legt en dat doet met hart voor de lezer – is daar niets mis mee.
Toen in de advent van 2008 de brief van Paulus aan de Filippenzen op het leesrooster stond, heb ik ter voorbereiding enkele malen een geluidsopname beluisterd waarop de brief in zijn geheel werd voorgelezen, zoals ze vermoedelijk ooit ook is gelezen in de ontvangende gemeenten. Dus niet in kleine stukjes, maar (om te beginnen) helemaal, als brief. Dat geeft al direct een ander gewicht aan de afzonderlijke alinea’s, het plaatst ze in de grote beweging van het geschrift. Het voorlezen van de brief, als je het rustig doet, duurt nog geen kwartier: veel korter dan menige gelezen preek in de protestantse traditie.
Vervolgens, al enigszins vertrouwd met de gang van het betoog, heb ik de brief hardop sprekend overgeschreven, met vulpen op dictaatpapier, in het handschrift waarin ik mijn schaarse brieven schrijf. Vijf pagina’s werden het, niet veel langer dan sommige brieven waarmee ik zelf ooit probeerde een situatie een gunstige wending te geven. Het bleek niet zo heel moeilijk om de bewogenheid van Paulus na te voelen, zijn streven te proeven, ook als sommige wendingen in zijn betoog me vreemd bleven.
Het werd voor mij heel tastbaar, dat Paulus in de brief aan de Filippenzen een enorme inspanning levert om de geadresseerden op een positieve manier aan zichzelf te binden. Hij zit elders gevangen, en andere predikers maken blijkbaar van die situatie gebruik. Dat gaat ten koste van de eenheid, en de belangen van de predikers zijn soms troebel. Onder degenen die aan Paulus vasthouden, kan gemakkelijk een mineurstemming ontstaan, vooral nu niet duidelijk is of Paulus zijn gevangenschap wel zal overleven. En hoe lager de stemming, hoe gemakkelijker anderen de regie kunnen overnemen.
Paulus doet er daarom in deze brief alles aan, om zijn aanhangers monter te stemmen. Hij spreekt opgewekt en hooggestemd over de kansen die zijn gevangenschap biedt. Hij roept op om vooral de eenheid te bewaren. Hij prijst de Filippenzen keer op keer en herinnert aande goede ervaringen die hij met hen heeft. Opgewekte eendracht en positieve verbondenheid met hemzelf moeten de gemeente immuun maken voor scheurmakerij. De ‘gezindheid van Christus’, in de beroemde passage in het tweede hoofdstuk, is het integrerende beeld waarmee Paulus zijn eigen situatie en het leven van de gemeente verbindt met het hart van de christelijke boodschap. Zo neemt hij effectief de wind uit de zeilen van allen die in zijn afwezigheid hun eigen kerkje willen stichten.
In het eerste deel van zijn brief doet Paulus er alles aan, om zijn eigen arrestatie niet als tegenslag maar als winst voor te stellen. Het geeft nieuwe kansen tot getuigenis, en het verbindt hen op een bijzondere manier aan de weg van Jezus. Dat anderen nu opeens heel actief worden om hun boodschap te verkondigen en het ‘marktaandeel’ van Paulus over te nemen, stelt hij ook als winst voor: laat ze hun best maar doen, zo komt het evangelie des te verder. Ook als ze het doen om mij een hak te zetten, zo redeneert Paulus, telt uiteindelijk dát ze Christus verkondigen.
Vers 18 van het eerste hoofdstuk is het sluitstuk van die redenering: ‘Dus wat telt? Alleen dat hoe dan ook, met bijbedoeling of in waarheid, Christus wordt verkondigd; daarin verheug ik me en dat zal ik blijven doen.’
Meent Paulus dat echt? Maakt het niets uit met welke bedoelingen het evangelie wordt verkondigd? Ook niet als die bedoelingen evident kwaadaardig zijn, zoals hij van sommige predikers suggereert? Maar dan heeft die verkondiging toch niets meer gemeen met de ‘gezindheid van Christus’ die Paulus zijn hoorders wil bijbrengen?
Verderop in de brief zal blijken dat Paulus helemaal niet zo vrolijk is over de evangelisatiepraktijken van die andere predikers. Daar blijkt opeens dat hij zich enorm opwindt: kijk uit voor die honden, die kwaadwerkers, die verminkers! (3:2) – en alles duidt erop dat hij het dan over diezelfde rivaliserende predikers heeft, die het volgen van Jezus verbinden met een heel pakket aan mozaïsche voorschriften en daarmee in Paulus’ opvatting de christelijke vrijheid verkwanselen.
Terwijl hij in het derde hoofdstuk tegen die rivalen fulmineert, maakt hij zich in het eerste hoofdstuk vrolijk over het feit dat ze, om hemzelf te pesten, extra hard hun best doen om hun versie van het evangelie uit te bazuinen. Hij laat daarmee zien dat hij niet zielig in een hoekje zit, dat hij niet de verliezer is, maar ook als gevangene nog altijd middenin de beweging van de Geest staat. Hij wil zijn lezers eerst voluit in die positieve stroom laten staan, en pas dan waarschuwen voor (in zijn ogen) gevaarlijke tendenzen. Hij masseert zijn lezers, hij weet dat hij ze niet mag kwijtraken, omdat ze dan ten prooi zullen vallen aan het welles-nietes van een eindeloos kerkelijk gekibbel. Als fysiek gevangene moet hij de christelijke vrijheid hoog houden, en daar heeft hij wel wat verbaal geweld voor over.
Als je Filippenzen 1:18 met een klassiek-protestantse schriftopvatting zou lezen, zou je uit de woorden moeten concluderen dat in de evangelieverkondiging alleen het resultaat telt, wat ook de intenties van de prediker zijn. Kwade bijbedoelingen of eigenbelang zijn geen probleem, zolang het verhaal maar verder komt. Dat is wat Paulus hier zegt, het staat in de Bijbel, het is Gods Woord, de zuivere waarheid...
Maar zinnen uit brieven moet je nooit los uitleggen. Als ik midden in een persoonlijke brief opschrijf: ‘...ik vind het helemaal geen probleem dat je me toen niet geloofde, maar...’ – dan kun je ervan uitgaan dat ik het juist heel pijnlijk vond om niet geloofd te worden, maar dat ik daar nu overheen stap in een poging om alsnog verbondenheid met die ander tot stand te brengen.
Paulus wordt diep geraakt door het feit dat anderen als aasgieren hebben zitten wachten om de ruimte in te nemen die vrijkomt als hijzelf wegvalt. Maar om te zorgen dat er geen gat valt, dat de stemming onder zijn volgelingen niet inzakt, maakt hij zich om te beginnen vrolijk over die tegenstanders, en zegt hij: kijk, zelfs de kwaadwilligen werken mee ten goede. Onze tegenstanders maken ongewild deel uit van ons project. Zo helpt hij zijn volgelingen om vanuit een positief, gelovig zelfbewustzijn te kijken naar wat er gebeurt, en niet in een benepen en angstig afwachten te vervallen. En als hij zijn hoorders eenmaal op die krachtige en vrije golflengte heeft, laat hij ze verderop alsnog hartgrondig weten hoe hij werkelijk over die andere predikers denkt: honden, booswichten, voorhuidsnijders – ook niet echt een tekst om op een tegeltje te zetten. Elke zin in een brief heeft het tegenwicht van de rest van de brief nodig. Dat geldt voor de nieuwtestamentische brieven net zo goed als voor die van onszelf.
Piet van Veldhuizen