Stomme beelden - Over de Brief van Jeremia
Verschenen in Interpretatie van januari 2006, pp. 15-17

Terug naar het overzicht

In de meeste roomskatholieke bijbeluitgaven is de Brief van Jeremia opgenomen als hoofdstuk 6 van het deuterocanonieke boek Baruch. De Willibrordbijbel vermeldt in de inleiding bij dit boek dat de brief een hekeldicht is op de verering van de goden en hun beelden, en in feite een zelfstandig geschrift vormt. In de Nieuwe Bijbelvertaling is de Brief dan ook als een apart deuterocanoniek bijbelboekje opgenomen. Dat geeft het geschrift wel een meer geprononceerde aanwezigheid in de bijbel. Alle reden om ons eens in de inhoud en strekking van deze tekst te verdiepen.

De Brief van Jeremia leest als een klassiek atheïstisch pamflet. De redeneringen doen me sterk denken aan de Russische antireligieuze affiches uit het vroege Sovjet-tijdperk: de verering van afgodsbeelden wordt belachelijk gemaakt en priesters worden als onbetrouwbare charlatans afgeschilderd. Het deed me ook denken aan de manier waarop ik als kind in een streng protestants milieu over het katholieke geloof werd voorgelicht.


Het is niet duidelijk wanneer en door wie de Brief van Jeremia is geschreven. Volgens de eerste verzen zou de profeet Jeremia deze brief hebben gericht aan de Judeeërs die op het punt stonden om door Nebukadnessar naar Babylonië gedeporteerd te worden. Ze moet dus niet worden verward met de brief die de profeet volgens Jeremia 29 stuurde aan de ballingen die reeds in Babylon verbleven. In 2 Makkabeeën 2,1-3 is sprake van zo’n brief die Jeremia aan zijn volksgenoten zou hebben meegegeven om hen te waarschuwen voor de beeldenverering waarmee ze geconfronteerd zouden worden. Dat zou kunnen betekenen dat de Brief van Jeremia vóór 2 Makkabeeën geschreven is, ergens in de 2e eeuw voor het begin van onze jaartelling. Een fragment van de brief is in Qumran aangetroffen. In ieder geval is aan de stijl en strekking wel duidelijk dat de brief niet geschreven is door de auteur van het bijbelboek Jeremia.


De auteur waarschuwt ervoor dat de joden in Babylonië processies zullen zien waarbij de mensen diep ontzag hebben voor godenbeelden die rondgedragen worden. Daarna beschrijft hij in schamperende bewoordingen de godenbeelden en hun vereerders. Telkens sluit hij een onderdeel van zijn scheldrede af, hetzij met de vaststelling: zo zie je dus dat het geen goden zijn, heb er dus geen ontzag voor – hetzij met de retorische vraag: hoe is het mogelijk dat ze denken dat dit goden zijn? Ik citeer het eerste gedeelte:


Die goden hebben een tong die gepolijst is door een timmerman, en ze zijn helemaal verguld en verzilverd. Het is allemaal bedrog; ze kunnen niet eens spreken. Ook maken ze daar kransen van goud, voor op het hoofd van hun goden, alsof het om een opgedirkt meisje gaat. Soms drukken de priesters het goud en zilver van hun goden achterover voor eigen gebruik, of zelfs om het te besteden aan de hoeren in het bordeel. Die goden van zilver en goud en hout zijn aangekleed alsof het mensen zijn, maar ze worden gewoon door roest en mot aangetast. Al hebben ze purperen gewaden aan, ze moeten hun gezicht laten afvegen, want het stof uit de tempel ligt er duimdik op. Verder houdt zo’n god een scepter vast, net als de rechters daar, maar hij kan iemand die tegen hem zondigt niet doden. In zijn rechterhand heeft hij een dolk of een bijl, maar zich beschermen tegen oorlog en rovers kan hij niet. Daaruit blijkt wel dat het geen goden zijn; heb er dus geen ontzag voor’ (7-14).

Dit soort snijdende spot komt ook in andere bijbelboeken voor. Sommige redeneringen en bewoordingen in de Brief van Jeremia zijn rechtstreeks overgenomen uit Jeremia 10, 1-14. Ook de auteur van Jesaja 44, 9-17 steekt op een vergelijkbare manier de draak met het maken van afgodsbeelden. Het deuterocanonieke boek Wijsheid lijkt in de hoofdstukken 13-15 ook van geen ophouden te weten, en in de psalmen 115 en 135 klinken dezelfde ideeën door. In alle gevallen wordt ervan uitgegaan dat de afgodendienaars het werkstuk van de houtsnijder voor hun god aanzien – dus dat in hun geloof het houten ding en de godheid volstrekt zouden samenvallen. Het idee dat de beeltenis een representatie zou kunnen zijn van de godheid, en dat de godheid dus groter is dan dit éne beeld, wordt buiten beschouwing gelaten. Ik durf de stelling aan dat die gedachte in deze teksten welbewust buiten beschouwing wordt gelaten, want in de eigen geloofspraktijk waren de joden vertrouwd met heilige voorwerpen die iets meer-omvattends representeerden. Zou over de omgang met het heilige gerei in de tempel en over de priesters in Jeruzalem niet langs dezelfde lijnen en met hetzelfde recht een vernietigende satire geschreven kunnen worden?


In de meeste van de bovengenoemde bijbelteksten gaat het om een betrekkelijk korte tekst die in een bepaalde context functioneert. In Jeremia 10 gaat het om het immense contrast met de alles overtreffende realiteit van de God van hemel en aarde. Woorden over de levende God wisselen telkens de woorden over de dode beelden af. Ook in beide genoemde psalmen en in Jesaja 44 is de tekst over de stomme beelden ingebed in een oproep om verlossing te verwachten van God die boven alles uitgaat, die niet door jou gemaakt is maar die jou heeft gemaakt. Je kunt je voorstellen dat de afgoden-satire dan functioneert om op een felle manier te benadrukken dat de beeldloosheid van Israëls Godsgeloof geen armoede is, maar samenhangt met het feit dat God uitgaat boven alles wat tastbaar is. Het gaat hier bovendien om teksten waarmee een kleine ‘beeldloze’ minderheid zich tegen de verdrukking in staande houdt temidden van een bonte veelheid van godenverering. Van een stem tegen de verdrukking in mag ik niet de gelijkmatigheid en nuance verwachten waartoe ik in mijn vrije omgang met andersdenkenden verplicht ben.

In de hoofdstukken 13-15 van het boek Wijsheid worden verontwaardigde en sarkastische opmerkingen over afgodendienaars afgewisseld met opmerkingen waaruit een dieper begrip van de vreemde verering blijkt. Over mensen die natuurkrachten vereren, moet niet te hard worden geoordeeld, ook al zouden zij beter moeten weten (13, 1-9). In hun eerbied voor de grootheid van de schepping hebben zij volgens de auteur niet door dat daarachter de Schepper schuilgaat. Maar belangrijker is dat de auteur een dubbele verklaring geeft van het ontstaan van beeldenverering, waaruit blijkt dat hij het representatie-karakter van beelden goed begrijpt: een vader maakt een beeld van een gestorven kind, waarna het gedachtenisritueel rond die beeltenis een eigen leven gaat leiden; en een koning laat zich afbeelden zodat hij ook vereerd kan worden zonder lijfelijk present te zijn. Toch wordt vervolgens met snijdende ironie gesproken over het feit dat een waardeloos stuk hout of een dom boetseersel voor god wordt gehouden, en de producent van zulke beeltenissen wordt als een valse oplichter afgeschilderd. Het is duidelijk dat het verschijnsel ‘beeldenverering’ wordt beoordeeld op zijn meest stompzinnige uitwassen.

Het bijzondere probleem met de Brief van Jeremia is wat mij betreft, dat het hele werkje niets anders bevat dan zulke snijdende ironie. Het enige dat de auteur er tegenover stelt, is de slotsom in de laatste zin: dat je dan maar beter zónder afgodsbeelden leven kunt als een rechtvaardig mens. Dat is de enige manier om jezelf niet bespottelijk te maken. De God van Israël speelt in de brief hoegenaamd geen rol: alleen in de inleidende zinnen wordt gesteld dat alleen Hem aanbidding toekomt. Het feit dat de brief in de Nieuwe Bijbelvertaling als zelfstandig geschrift is opgenomen en niet als een soort toegift in het boek Baruch, geeft aan deze tirade een zelfstandig gewicht. De karikatuur die het boekje schetst, wordt door niets gerelativeerd en aan niets gerelateerd.

De vorm van kritiek op afgoderij waarmee we hier van doen hebben, brengt de gelovige criticus zelf vroeg of laat in de problemen, en wel op minstens vier manieren.

Ten eerste: er is hier sprake van een mechanisme dat zich in elke godsdienststrijd en in iedere etnische twist voordoet. Het komt erop neer dat het geloof van de ander wordt beoordeeld op grond van de meest ongunstige voorstelling die je ervan kunt geven, terwijl je je eigen geloof hoog houdt op grond van de meest gunstige, geïdealiseerde voorstelling ervan. Als je eigen priester zich onrechtmatig verrijkt, is dat een uitzondering op de regel, maar als een afgodspriester het doet, is dat karakteristiek voor zijn soort. Stompzinnigheid onder je geloofsgenoten is een bijverschijnsel dat nu eenmaal voorkomt, maar stompzinnigheid onder afgodendienaars typeert hen categorisch. Wie anderen zo genadeloos de maat neemt, zal zichzelf vroeg of laat aan hetzelfde oordeel moeten onderwerpen. De Israëliet die in deze termen over afgodendienst spreekt, of de strenge protestant die in dezelfde termen over katholieke beeldendienst spreekt, zal moeten toelaten dat de atheïst zijn eigen geloofspraktijk langs dezelfde lijnen beoordeelt.

Het tweede punt is dat ook een ‘beeldloze’ religie enige vorm van representatie nodig heeft om het geloof beleefbaar te maken. Israëls geloof leeft bij beelden in de taal en in het handelen, en met de neerslag daarvan, de Heilige Schrift en de leefregels, wordt met bijzondere omzichtigheid omgegaan. Ook daar krijgt voor gelovigen datgene wat het heilige representeert, al gauw een eigen zelfstandige heiligheid. Over respect voor rollen perkament en vrees voor het overschrijden van leefregels zou een ander zonder moeite een satire kunnen schrijven op het stramien van de Brief van Jeremia.

In de derde plaats moet degene die de vinger legt bij het gebrek aan werkzaamheid van de vreemde goden, wel iets kunnen zeggen over de werkzaamheid van zijn eigen God. De levenloze zintuigen van de houten goden worden bespot, en het feit dat ze geen enkel probleem voor je oplossen wordt keer op keer onderstreept. Wie zo spreekt, moet wel erg zeker zijn van de aanwijsbaarheid van Gods horen, spreken en handelen. Of hij moet kunnen getuigen dat het verkeer tussen mensen en de Eeuwige van een volstrekt andere orde is dan de heidense aanbidding van afgoden, maar de Brief van Jeremia doet in daartoe geen enkele poging. Ook in dit opzicht heeft de auteur een argument aangereikt waarmee de atheïst met hetzelfde recht hemzelf belachelijk kan maken.

Het vierde problematische aspect van deze satire is, dat de werkzaamheid van God en de goden wordt opgevat in termen van krachtmeting. De afgodendienaar wordt bespot omdat hij iets aanbidt dat zwakker is dan hijzelf. In Wijsheid 14 wordt de draak gestoken met iemand die scheep gaat, en zijn vertrouwen stelt in een stuk hout dat zwakker is dan het schip dat hem draagt. Goden moeten sterk zijn, superlatieven van kracht en macht. De kwetsbaarheid en onbeholpenheid van het beeld is voor de auteur reden genoeg om het niet serieus te nemen. Maar zijn zijn eigen immateriële beelden niet even kwetsbaar en onbeholpen? En wordt, om een paulinische zinswending te gebruiken, de kracht van God ook in de levens van de profeten niet in zwakheid volbracht?

De bedoeling van de auteur is om zijn lezers ervan te weerhouden, ontzag te koesteren voor de afgoden die in hun leefomgeving algemeen in ere worden gehouden. Maar de argumenten zijn dusdanig positivistisch (voorzover zo’n anachronisme van toepassing kan zijn) dat hij zich er vroeg of laat zelf mee in de voet schiet. Ofwel hij gooit er ook zijn eigen godsdienst mee omver, ofwel hij moet in redeloosheid weigeren om zijn eigen geloof langs de meetlat te leggen die hij voor andermans geloof heeft ontworpen.


Ik weet nog hoeveel indruk het maakte toen, aan het begin van mijn doctoraalstudie, mijn scriptiebegeleider me het generosity principle bijbracht: dat je moeite doet om het standpunt van iemand met wie je het oneens bent, zo oprecht mogelijk te beschrijven als een steekhoudend verhaal, voordat je met je tegenwerpingen komt. Tegen dat principe had ik van jongs af aan met overgave gezondigd, door het gelijk van mijn eigen geloofsrichting af te zetten tegen de belachelijkheid van andermans geloofsvoorstellingen. De Brief van Jeremia herinnert mij daaraan op pijnlijke wijze. Nu deze brief tot apart bijbelboek verheven is, voel ik de behoefte om opnieuw, in het voetspoor van de Statenbijbel, een ‘Waarschuwing aan de lezers’ te formuleren. Dat is wat ik met dit artikel heb gedaan.



Piet van Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl

terug naar het overzicht