CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Agenda

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

EN ZE RIJDT OP TIEN KAMELEN ALS ZE KOMT[1]

Troost voor een moederskind in Genesis 24

 

Het was me al vaker opgevallen dat er voortdurend kamelen door Genesis 24 rondlo­pen. Ik heb ze lang beschouwd als een luxe transportmiddel, waar ik zoveel mogelijk langsheen keek om toch vooral de mensen scherp in het oog te houden. Toen ik onlangs besloot om toch eens per kameel door het hoofdstuk te reizen, ging er een wereld voor me open.

 

In Genesis 24 staat dat prachtige lange verhaal over de knecht van Abraham die op reis gaat om een bruid voor Isaäk te vinden. De dynamiek van wat er zich tussen de personen afspeelt is adembenemend. Wonderlijk is de rol die knecht speelt, als zaa­kwaarnemer van Abraham maar ook als stand-in voor Isaäk. Subtiel zijn de verschillen in weergave van dat éne tafereel dat viermaal verteld wordt, de ontmoeting bij de waterput. Want de verteller speelt het klaar om die ene scène eerst in een gebed te laten ontwerpen, haar dan te laten gebeuren, en vervolgens zowel het gebed als de gebeurte­nis door de knecht te laten navertellen. Maar in dit artikel gaat het me om het mysterie van de kamelen.

 

Wie denkt dat de bijbel overvloedig door kamelen bevolkt wordt, heeft het mis. De concordantie geeft voor de gehele hebreeuwse bijbel 54 vermeldingen, waarvan 25 in het boek Genesis, waarvan weer 18 in dit éne verhaal. Eénderde van alle bijbelse kameelwaarnemingen komt er aan te pas om Rebekka uit Mesopotamië op te halen. Laten we ze op de voet volgen.


Het begint ermee dat Abrahams knecht Atien kamelen neemt van de kamelen van zijn heer@ (10). Dat getal komt aan het eind van het verhaal terug, als Laban voorstelt om Rebekka=s vertrek tien dagen uit te stellen (55), en in het midden zijn er armbanden met het gewicht van tien goudstukken (22). Als het al iets betekent, dan zoiets als >een hele rij=: geen getal dat een cirkel sluit of alles omvat, maar een reeks die denkbeeldig doorloopt, zoals de reeks geboden. Tien dagen uitstel is het begin van afstel, tien kamelen is een kleine file die zicht geeft op Abrahams omvangrijke bezit.

Als de knecht bij de bewuste put in Mesopotamië aankomt, zorgen de kamelen voor een eerste komisch moment. Wayyabreech ha-gemalliem, staat er (11). Wayyabreech, een werkwoordsvorm van barach, dus je vertaalt onwillekeurig zoals het in Genesis meestal gaat: AToen zegende@ - maar dan bots je tegen de kamelen op, en blijkt er te staan: AToen zegen de kamelen neer@. Want er blijkt een uiterst zeldzaam tweede werkwoord barach te zijn dat Adoor de knieën zakken@ betekent. Het is voor de knecht bepaald nog geen tijd om zijn zegeningen te tellen.

Nu gaat de knecht het tafereel formuleren waaraan de bruid herkend zal worden. Een meisje zal hem toestaan dat hij zijn lippen zet aan de kruik die zij voor hem kantelt. Probeer maar eens met een volle kruik dat tafereeltje uit te beelden, en je zult zien dat het al wonderlijk genoeg is als een meisje een vreemdeling zo tot zich toelaat. Maar de knecht bepaalt dat het meisje ook nog uit eigener beweging zal aanbieden zijn kamelen te drenken. Helaas zijn wij tezeer gewend aan het verhaal om het hilarische effect van het gebed van de knecht te ondergaan. Stel je voor wat hij vraagt! Daar liggen de beesten met z=n tienen, een waardige uitdaging voor de sterkste man van Nederland: geef ze te drinken totdat ze genoeg hebben. Voor wie het uitgerekend wil hebben: ga maar uit van vijfhonderd tot duizend liter, vijftig tot honderd keer afdalen naar de bron en weer opklimmen.

Maar Rebekka komt opdagen, ze doet het allemaal, en nog op een drafje ook, terwijl de knecht staat toe te kijken. Ze haastte zich en rende en putte en goot, Avoor al zijn kamelen@ (20). Hier is sprake van een, voor mij als luisteraar, schier ondraaglijke mateloosheid. Wat bezielt dat kind, en wat beweegt de knecht om juist dit teken te verlangen?

Zodra de kamelen ophouden met drinken (22) komt de knecht al met een deel van de huwelijksgeschenken voor de dag, en als hij het later navertelt blijkt, dat hij haar op dat moment een neuspiercing heeft ingedaan en armbanden om haar handen heeft geschoven - alweer, net als bij het slurpen uit de kruik, die intieme nabijheid, alsof hij de bruidegom vervangt in een verlovingsritueel.


Het meisje snelt naar huis en even later snelt haar broer Laban in tegengestelde richting om de man achter de sieraden te ontmoeten. ADaar stond hij nog, bij de kamelen, bij de bron@(30). Dat hij personeel bij zich heeft, komen we pas in vers 32 voor het eerst te weten, maar de kamelen zullen geen enkele keer onvermeld blijven.

Ook bij de ontvangst die volgt in huize Betuël zijn de kamelen prominent aanwezig. Eerder al, toen de knecht aan Rebekka vroeg naar plaats om te overnachten, noemde zij als eerste dat er Astro en voer@ was (25) en pas daarna dat er ook plek voor mensen was. Maar ook na binnenkomst zijn de kamelen het eerst aan de beurt: ze worden ontzadeld en ze krijgen stro en voer. Daarna pas wordt er gesproken over water voor de voeten van de knecht en zijn mannen (32). Als de knecht dan eerst zaken wil doen voordat hij voedsel aanvaardt, blijven in zijn relaas de kamelen natuurlijk ook niet onvermeld (44, 46). Als de terugweg wordt aanvaard wordt expliciet vermeld dat Rebekka en haar meisjes op de kamelen rijden (61).

In het slot van het verhaal spelen de kamelen nog éénmaal een kostelijke rol. In de verzen 63 en 64 wordt in twee parallel lopende zinnen gezegd dat zowel Isaäk als Rebekka hun ogen opsloegen en iets zagen. Isaäk sloeg zijn ogen op en kijk, daar komen kamelen aan. En Rebekka sloeg haar ogen op en zag Isaäk. Hij zag kamelen, zij zag haar man. En ze weet zó zeker wat ze ziet, dat ze al van haar kameel gesprongen is (64) voordat ze aan de knecht vraagt heeft wie die man is.

 

Achttien keer Akamelen@, gemalliem, dat kan niet voor niets zijn. Ze zijn voor de verteller blijkbaar bijna zo belangrijk tijdens deze missie als de knecht van Abraham. Hij brengt ze telkens weer in onze aandacht terug, terwijl hij toch zoals alle bijbelse vertellers zijn verhaal doet zonder enig nodeloos détail. Van de stad Nachor, het huis van Betuël of het landschap wordt geen enkele beschrijving gegeven. Waarmee ik maar wil onderstre­pen, dat de kamelen niet vermeld worden omdat ze er nu eenmaal waren. Waarom dan wel?

 


Zoals ze in het verhaal optreden, lijken de kamelen het huishouden van Abraham en Isaäk te representeren. Ze zijn een teken van rijkdom, een stoet limousines om een indruk te geven van de staat die Abraham voert. Zo krijgt het ook zin dat Rebekka de kamelen moet drenken om de huwelijkstoets te doorstaan. Daarmee bewijst ze dat ze opgewassen is tegen de taak, die omvangrijke huishouding te runnen. Je vraagt je zelfs af of de knecht haar alleen laat ploeteren omdat hij voorziet dat deze vrouw er op beslissende momenten alleen voor zal staan, want Isaäk wordt ons ook later niet geschilderd als de meest doortastende echtgenoot. Zijn afwezigheid bij zijn eigen verloving heeft principiële redenen (zijn vrouw moet komen uit een land waar hij niet heen mag), maar is tegelijk ook wel kenmerkend voor zijn patriarchale afwezigheid überhaupt.

De kamelen zijn er dus bij als statussymbool annex oefenstof. Ze worden met alle égards ontvangen, want in de omgang met de kamelen bewijst de schoonfamilie respect voor Abraham en Isaäk. Maar misschien is er nog meer aan de hand.

 

Het woord voor kameel, gamal, is tevens een werkwoord, met als eerste betekenis: rijpen, de borst ontwennen, ab-lactare in woordenboeklatijn. Er is ook een tweede betekenis, die iets weerspiegelt van het drama van de ontzegging van de moederborst: >iemand iets aandoen=. De afgeleide naamwoorden gemoel en gemoelah betekenen >daad, vergeldingsdaad=.

In Genesis 21 wordt gewag gemaakt van het feest dat gehouden wordt als Isaäk gespeend wordt. Daarbij wordt het werkwoord gamal tweemaal gebruikt (8). Bij die gelegenheid komt het tot de definitieve verdrijving van Hagar, omdat haar zoon Ismaël spotte. Zou hij Isaäk, voor wie de ontzegging van de borst niet zo=n feest kan zijn geweest als voor zijn ouders, voor >melkmuiltje= hebben uitgemaakt?

Tussen dat verhaal en Genesis 24 komen we Isaäk alleen tegen in het verschrikkelijke verhaal waarin Abraham hem opoffert. Dat is een vaderverhaal tot in het extreme. Een man en een jongen samen onderweg, elk in zijn eigen eenzaamheid, gescheiden door een afgrond van geladen stilzwijgen. Verder weg van de moederborst kun je niet zijn. In het volgende verhaal sterft Sara en wordt zij begraven zonder dat de naam van Isaäk in de tekst voorkomt.


Maar dan Genesis 24. Nadat met de kamelen het woord gamal, gamal door heel dat bruidsverhaal heen heeft gegaloppeerd, neemt Isaäk zijn bruid mee in de tent van zijn overleden moeder. Hij komt tot haar, en de slotzin luidt: AZo werd Isaäk getroost, na zijn moeder@. Na de dood van zijn moeder, maar ook na de borst van zijn moeder, nu hij eindelijk aan de borst van een geliefde ligt. Hiermee suggereer ik dus dat de kamelen, door telkens weer genoemd te worden, het verlangen van het gespeende kind Isaäk vertegenwoordigen: hij heeft de troost van een vrouw nodig. Het drenken van tien kamelen geeft dan aan dat het een enorme vrouw moet zijn, om na de rauwe moeder­loosheid van Genesis 22 en na de dood van Sara deze man weer in het leven te zetten. Mateloos, onuitputtelijk zal ze moeten zijn, want Isaäk heeft dorst als tien kamelen - niet omdat hij zo gulzig is, maar omdat hij van zóver moet worden teruggehaald.

Dat Rebekka die de knecht laat slurpen aan de kruik die ze op haar hand houdt, en die ze laat overhellen totdat hij genoeg gedronken heeft (14, 18-19), wordt in het licht van deze overwegingen een zinnebeeld van de troost van de moederborst.

Het lastige is dat de suggestiviteit van de kamelen gebonden is aan het hebreeuws, omdat voor Ade borst ontzeggen@ in het nederlands nu eenmaal niet een werkwoord Akamelen@ bestaat. Wij zouden voor een deel van hetzelfde effect eventueel speenvar­kens kunnen opvoeren, maar die zijn weer minder geschikt om op te rijden.

 

Het is nog wel de vraag of het echt zo bedoeld is. Het zou mooi zijn, omdat het de passiviteit van Isaäk in een begripvol en warm licht zet: een moederskind dat troost moet vinden bij een reusachtige vrouw. Daarmee zou ook binnen de verhalencyclus erkend zijn wat een gat van ontroostbaarheid er in Isaäks bestaan geslagen is in het vaderverhaal van Genesis 22.

En ze rijdt op tien kamelen als ze komt. Rebekka ziet al van verre wie ze moet gaan troosten. Ook van Isaäk is zojuist gezegd dat hij bij een waterput vandaan komt (62), maar in plaats van een ontmoeting is er voor hem slechts eenzaam gepeins. Zelfs als hij daaruit wordt opgeschrikt, ziet hij alleen kamelen, gemalliem, gamal, gespeend van... Maar de laatste kameel in het verhaal is degene waarvan Rebekka zich laat afvallen, zodat Isaäk bij haar eindelijk kan thuiskomen.

In het voorlaatste vers is het nog even schrikken. AEn de knecht vertelde Isaäk..@, lezen we in vs 66. Daar had een dubbele punt kunnen staan en dan hadden we alles van voren af aan nog een keer moeten horen, zoals eerder in huize Betuël. Maar de verteller besluit dat nu de tijd van troosten gekomen is, en dus volstaat hij met A..alles wat hij gedaan had@. De kamelen hoeven ditmaal niet ontzadeld, niet gedrenkt, geen stro en voer. Want dat waar ze voor staan, is opgelost: AZo werd Isaäk getroost, na zijn moeder.@

 



[1] Variatie op een regel uit het liedje AIk heb een tante in Marokko en die komt@.