Knuffel versus knieval
Verschenen in Interpretatie van januari 2000, pp. 16-18.

Terug naar het overzicht

Lichaamstaal in Markus 10 vs 13-27

Toen op een zondag de rijke jongeling (Mk 10, 17-27) op het rooster stond, kwam in verband met een doop het verzoek om ook de kinderzegening (Mk 10, 13-16) te lezen. Ik besloot toen met een soort kwaadaardig plezier om beide als één geheel te lezen: een lief stukje voor de dopeling en een zwaar problematisch vervolg voor als-ie straks een welvarende jongen wordt. Daar zullen ze lelijk van opkijken, dacht ik. Maar ik keek er zelf het meest van op.

Volgens het dikke Markus-commentaar van Rudolph Pesch hebben beide stukken geen inhoudelijk verband met elkaar. Markus 10 is een kralenketting van verhalen, geregen op de draad van de voetreis richting Jeruzalem. Het verhaal van de kinderzegening zou daar als een vreemd element tussengevoegd zijn, het onderweg-zijn speelt er geen rol in. Het is volgens Pesch aangehangen aan het voorgaande stuk over het huwelijk, omdat je via het huwelijk nu eenmaal bij kinderen terechtkomt. Om de draad van de voetreis weer op te pakken staat er vervolgens: ..en toen Hij op weg ging..(17) . Dan volgt het verhaal van de rijke man.

Maar in de kralenketting van verhalen is naar mijn mening het verhaal van de kinderzegen juist sterker op dat van de rijke man betrokken, dan op het voorafgaande over het huwelijk. Ik moet ook wel aannemen dat de kettingrijger (de evangelist of redacteur) zich daarvan terdege bewust is geweest. In het onderstaande probeer ik het verband tussen beide verhalen te beschrijven.

In beide verhalen is er sprake van een meningsverschil, of een verschil in gevoelen, tussen de leerlingen en Jezus. Het verschil wordt opgeroepen door de ontmoeting met de kinderen, respectievelijk de rijke man. Jezus maakt van de gelegenheid gebruik om zijn discipelen duidelijk te maken dat het met Gods Rijk anders zit dan zij dachten.

Zowel de kinderen als de rijke man komen dus goed van pas voor het gesprek dat Jezus met zijn leerlingen voert. Ze komen en gaan (de kinderen komen, de rijke man gaat) als lesmateriaal voor de leerlingen, als een proefopstelling in een leslokaal. Toch zijn ze ook méér dan alleen instrumenten voor de les - in beide gevallen wordt een echte ontmoeting beschreven die de gemoederen werkelijk bezig houdt.

Het verschil in gevoelen tussen Jezus en de leerlingen wordt dan ook aangeduid met een sterke emotie: Jezus "ontvlamde" (èganaktèsèn, 14) toen zijn leerlingen de kinderen weghielden; omgekeerd waren de leerlingen "verbijsterd" (ethambounto, 24) en vervolgens "totaal buiten zichzelf" (perissoos exeplèssonto, 26) over Jezus' woorden nadat hij de rijke man had laten weggaan. In beide gevallen is er sprake van onbegrip tussen Jezus en de discipelen.

Tussen beide verhalen is er sprake van een exacte omkering van posities. Beide verhalen gaan over de vraag: voor wie is het Rijk van God? Op de vraag "wie niet, wie wel" geven Jezus en zijn leerlingen precies tegengestelde antwoorden. In het eerste verhaal zeggen de leerlingen "niet voor de kinderen", waarop Jezus verontwaardigd zegt dat het voor hen juist wel is. In het tweede verhaal zegt Jezus zelf "niet voor de rijke", waarop de leerlingen verbijsterd reageren: als het voor die niet is, voor wie dan wel? Wat de leerlingen met de kinderen deden, doet Jezus dus met de rijke man. In beide gevallen wekt de heenzending heftige beroering bij de andere partij. Omdat beide verhalen elkaar op dit punt spiegelen, ligt het voor de hand om naar verdere verbanden te zoeken.

In de pericoop over de kinderen is het vanaf het begin om aanraking (13) begonnen. Het verhaal besluit met: En hen omarmd hebbende zegende hij hen, de handen op hen gelegd hebbend (16). De evangelisten Mattheüs en Lukas hebben dit verhaal ook in hun boek opgenomen, maar vermelden de omhelzing niet. Mattheüs zegt: Hij legde hun de hande op en vertrok vandaar (19,15), terwijl bij Lukas na Jezus' belerende woorden helemaal geen handeling of gebaar meer genoemd wordt.

De omstandigen manier waarop Markus de omhelzing vermeldt, zorgt voor een sterke contrastwerking, want direkt erna volgt de knieval van de rijke man. Nu zijn voor hollandse begrippen zowel de omhelzing als de knieval pathetische gebaren, maar de knieval is in tegenstelling tot de omhelzing een gebaar dat afstand onderstreept. Die afstand wordt vervolgens in het hele verhaal volgehouden. De eerste woorden van de man onderstrepen zijn gebaar: Goede Meester - hij veronderstelt een hiërarchie, u hoog, ik laag. Jezus lijkt zich van die hoge titel te distantiëren, maar hij overbrugt niet de afstand naar de rijke man. Hij zegt niet: Kom op, doe niet zo mal, wat wil je? - er is direkt iets ijzigs in zijn terugwijzing: Wat noem je mij goed? Het is de rijke man niet om aanraking of overgave begonnen: hij wil horen wat hij zélf moet doen. Jezus werpt hem dan ook in alle afstandelijkheid de geboden toe. De distantie wordt ronduit pijnlijk als er staat dat Jezus de man aankeek en liefkreeg (21) , maar dat hij hem toch liet weggaan. Geen aanraking komt aan de versombering en droefheid (22) van de man tegemoet. Terwijl de opdracht bij de kinderen was: Laat ze tot mij komen, luidt ze bij de rijke man: Ga heen, doe dit en dat, en kom dán maar eens weer - maar van dat laatste zal het niet meer komen.

Als we beide verhalen op deze wijze in elkaars verband lezen, wordt de rijke man allereerst getypeerd door zijn knieval in tegenstelling tot de voorafgaande innige omhelzing, en niet door zijn rijkdom. Dat hij rijk is komen we in het verhaal pas op het laatste moment aan de weet: hij ging bedroefd heen, want hij bezat vele goederen (22).

Ook als Jezus vervolgens zegt dat het voor rijken niet gemakkelijk is om Gods Rijk binnen te gaan, gaat het niet om rijkdom op zich. De leerlingen hadden in dat geval immers kunnen zeggen: Gelukkig, dit gaat niet over ons - maar ze zijn verbijsterd: wie kan dan behouden worden? (26) Ze zien ook zichzelf stuklopen op de barrière die Jezus voor de rijken opwerpt.

De rijke man staat tegenover de kinderen. Zijn knieval voor de meester staat tegenover het opgenomen-worden in Jezus' zegenende omhelzing. De kinderen zijn in het eerste verhaal geen subject, ze komen niet handelend en sprekend naar voren. Ze wórden gebracht, ze wórden omarmd. Daar tegenover komt de man zelf, hij neemt zelf zijn nederige positie in, hij wil weten wat hij zelf kan doen om eeuwig leven te verwerven. Hij onderhoudt de geboden en, tenslotte, hij beschikt over vele goederen. Als het gaat over de mate waarin iemand over de eigen persoon beschikt (autonoom is), nemen de kinderen en de rijke twee uiterste posities in. Dat is naar mijn mening de eigenlijke tegenstelling tussen de beide verhalen.

De kinderen laten zich omhelzen, zegenen. De man is teveel een 'zelf' geworden om nog zomaar in Jezus' omhelzing te kunnen verzinken: hij is voorzien van dadendrang, rechtvaardigheid en goederen. Hij wil niet versmelten met Jezus, maar zich profileren als zichzelf. De afstandelijkheid van de knieval hoort bij zijn zich-zelf-zijn. Daarmee is de kinderlijke overgave aan Gods zegenende aanwezigheid, verbeeld in de omhelzing, voor hem een gepasseerd station.

Zijn probleem is dan vooral, dat hij geen kind meer is. Wie het Rijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan (15). En precies daarom raakt het probleem van de rijke, gezien als de volstrekt autonome mens, ook de leerlingen, want ook zij zijn geen kinderen meer. Het gaat hier in het Marcus-evangelie niet om een sociale kwestie, om rijk tegenover arm, maar om autonoom tegenover onmondig: om de fundamentele vraag, of een mens die volwassen geworden is, die over zichzelf beschikt, toch bij God kan zijn op de manier die verbeeld wordt in Jezus' zegenende omhelzing van de kinderen, onvoorwaardelijk, zonder vragen.

Hoewel ik niet weet of het erom gedaan is, vind ik het wel treffend dat in het verhaal van de kinderzegening het onderweg-zijn geen rol speelt. Hier wordt een oerbeeld getoond, een vertrekpunt, een soort paradijstoestand. Zo gauw je gaan en spreken kunt, is de situatie van de kinderzegening een verloren paradijs. Je bent geen kind meer, je loopt zelf, je vraagt naar de voorwaarden, je brengt van alles mee. En dan geldt: Kinderen(!), hoe moeilijk is het, het Rijk Gods binnen te gaan (24). Althans: bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want alle dingen zijn mogelijk bij God (27).

Het verband met de kinderzegening werpt ook licht op de opdracht die Jezus uiteindelijk aan de rijke man geeft. In zijn eerste reactie handhaaft Jezus de afstand die met de knieval en de vraag (Wat moet ik doen?) is gemarkeerd. Je kent de geboden! Wie groot geworden is en zich niet meer in andermans armen kan laten leggen, wordt op zichzelf teruggeworpen. In plaats van omhelzing en handoplegging krijgt hij de geboden, de leefregels aangereikt - waaraan hij al van jongsaf trouw is. Hij leeft als een rechtvaardige, maar zijn probleem is dat dit ook voor hemzelf niet genoeg is. Er ontbreekt hem nog iets, hij wil precies die éne stap daarbovenuit zetten die hem in het ultieme, het eeuwige leven voert.

Die éne stap verder, dat is in het licht van de kinderzegening: terugkeren op alle schreden die je van je kinderlijke onmiddellijkheid hebben verwijderd. Door de Messias omarmd en gezegend worden, is dat niet "eeuwig leven", de staat van ultieme verzadiging?

In zijn uiteindelijke opdracht noemt Jezus het éne wat de man ontbreekt. Dat is precies, dat hij zich ontdoet van alles wat het leven hem tot nu toe heeft gebracht. Het gaat hier niet om een morele opdracht in de trant van: je moet je rijkdom delen met anderen. De vraag is niet hoeveel je aan goede doelen moet geven en wat je zelf mag houden. Jezus doelt op alles wat de man heeft opgebouwd, alles waaruit blijkt dat hij sinds zijn kindheid, aan de hand van de geboden, een weg heeft afgelegd. Ga, geef het prijs en kom, volg mij (21).

Het is een onmogelijke opdracht en dat is opzettelijk zo. Het gaat hier over datgene wat bij de mensen onmogelijk is (27). Je kunt dat wat je bereikt hebt niet zomaar prijsgeven, zeker niet als het veel is. Je kunt niet eenvoudig terug naar de kinderstaat, maar precies daarom kun je ook niet verder (of: terug) naar "eeuwig leven". Wie de geboden kan houden, heeft kennis gekregen van goed en kwaad, en heeft daarmee het paradijs achter zich gelaten. Dat is de grootsheid en tegelijkertijd de misère van de volwassenheid. En de "rechtvaardige rijke" is de volwassene bij uitstek, de mens die optimaal over zichzelf beschikt. In morele zin een prachtmens. Niet voor niets kreeg Jezus hem lief. En niet voor niets schrikken de leerlingen: als zo'n rechtvaardige niet zó het Godsrijk binnenwandelt, dan kunnen anderen het helemáál vergeten. Wie kan dan behouden worden?

Jezus zegt: Hoe lastig zullen zij die geld hebben het Rijk Gods binnenkomen (23) - en even later breidt hij die uitspraak uit naar iedereen, de leerlingen incluis: Kinderen, hoe lastig is het, het Rijk Gods binnen te gaan (24). Je verworvenheden zijn een handicap, ze maken het moeilijk omdat je ze weer moet afleggen om in Gods Rijk te leven.

De uitspraak over de kameel en het oog van de naald wordt soms zo uitgelegd, dat het Oog van de Naald de naam zou zijn geweest van een voetgangerspoortje in de Jeruzalemse stadsmuur. Dat zou goed passen: wie 's avonds met zijn karavaan voor de muur staat, zal door het voergangerspoortje naar binnen moeten gaan met achterlating van zijn bagage (zijn kamelen). De rijke, hij die zichzelf definieert met wat hij bereikt heeft, zal buiten blijven: je krijgt nog eerder een kameel door het poortje gewrongen, dan dat je die rijke zover krijgt om afscheid te nemen van alles waarvoor hij gewerkt heeft.

De rijke man die bij Jezus komt, wil een aanwijzing, waarmee hij zélf verder kan werken naar het eeuwige leven toe. Hij wil zichzelf verder profileren, met het eeuwige leven als perspectief. De opdracht die Jezus hem geeft eist van hem dat hij juist zijn gezegende profiel van rijke rechtvaardige prijsgeeft en zich onder de leerlingen schaart (die met kinderen worden aangesproken, 24).

Die opdracht druist in tegen het streven van de rijke man, tegen de diepe drang tot behoud van zelfbeschikking. Maar volwassen mensen zijn niet altijd, of niet alleen maar, "rijken". We kennen immers ook het verlangen naar het zijn-als-een-kind. De omhelzing, het in iemands armen gezegend worden, het prijsgeven van je mondigheid, niets meer hoeven weten, heel je 'zelf' laten verzinken in geborgenheid - of het nu bij je moeder, bij je geliefde, bij moeder aarde of bij God is: dat is de omhelzing die staat tegenover de knieval, de overgave die staat tegenover de vraag: Wat moet ik doen?

Psychologisch is dat verlangen misschien dikwijls te verklaren als een vlucht terug naar de kinderstaat, een vlucht uit de zelfbeschikking die je boven het hoofd is gegroeid. Moreel gesproken is er dan wellicht sprake van een vlucht voor verantwoordelijkheid. Maar zou het kunnen zijn dat dit verlangen tegelijk, existentieel gesproken, niet alleen een terugreiken maar ook een verderreiken is, dat het verzinken in de omhelzing van God ook het ultieme zal blijken te zijn, waarvoor alles prijsgegeven wordt waarmee je je geprofileerd hebt?

Volledige overgave aan de omhelzing, waarin de drang om je zelf te bewaren wegvalt, dat beleef je maar met een enkel mens en op sommige momenten. Ik herinner me omhelzingen waarbij ik aldoor denk: ho maar, zo kan het wel weer. Je gedachten vechten dan voor je zelfstandigheid, terwijl die ander overgave van je wil: bijvoorbeeld een tante tijdens de verjaardagsvisite die jou als opgroeiend kind eens flink zal knuffelen. Of een collega die meer met mij op heeft dan ik met hem: hij drukt mijn lichaam aan zijn hart terwijl mijn geest trappelt om vrij te zijn.

Zou ik mij aan de omhelzing van de Eeuwige, verbeeld in de Messias die de kinderen zegent, toevertrouwen? Zou ik me niet op het laatste heldere moment mijn kamelenherinneren die nog buiten staan, en me bedenken?

Soms sta ik op het punt om aan één van de middeleeuwse mystici of oosterse wijzen te vragen: Goede meester, wat moet ik doen.. maar ik zie me al met betrokken gelaat heengaan, bedroefd, want ik kan het niet opbrengen. Kan ik behouden worden? Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want alle dingen zijn mogelijk bij God. Mijn verscheurdheid is niet de allerlaatste waarheid..

Piet van Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl

terug naar het overzicht